Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:1653

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
25 augustus 2023
Publicatiedatum
28 augustus 2023
Zaaknummer
22/2733 WAD
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 121 BARDWet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing re-integratieverzoek en ontslag wegens ziekte en ongeschiktheid

Appellant, werkzaam bij defensie, meldde zich in november 2019 ziek vanwege lichamelijke klachten. Ondanks enkele pogingen tot re-integratie en adviezen van de bedrijfsarts om aangepast werk te verrichten, kon appellant niet terugkeren in zijn eigen functie. De commandant wees het verzoek tot re-integratie af en verleende later ontslag wegens ongeschiktheid op grond van artikel 121, eerste lid, onder f van het BARD.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het afwijzingsbesluit ongegrond, omdat onvoldoende medische gegevens waren aangeleverd die het standpunt van de bedrijfsarts en commandant konden weerleggen. Appellant stelde in hoger beroep dezelfde gronden aan de orde, zonder nieuwe medische onderbouwing.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het beroep niet slaagt. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant medisch niet in staat is om zijn eigen functie te hervatten, mede gebaseerd op een arbeidsdeskundig rapport dat fysieke beperkingen bevestigt. Het hoger beroep wordt verworpen en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot afwijzing van re-integratie en ontslag wegens ongeschiktheid wordt bevestigd.

Uitspraak

22/2733 WAD
Datum uitspraak: 25 augustus 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 juli 2022, 22/1209 WAD (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de commandant Defensie Ondersteuningscommando (commandant)
PROCESVERLOOP
Met een besluit van 3 mei 2021 heeft de commandant het verzoek van appellant om te mogen re-integreren in de eigen functie afgewezen. Appellant heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar de commandant is met een besluit van 11 januari 2022 (bestreden besluit) bij de afwijzing van het verzoek gebleven.
Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. J.W.M. Soentjes, advocaat, hoger beroep ingesteld. De commandant heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 14 juli 2023. Appellant is verschenen, bijgestaan verschenen, bijgestaan door mr. Soentjes. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.E. Lamberti, mr. A.C. Beck en L. Jans.
OVERWEGINGEN
Samenvatting
Deze zaak gaat uitsluitend om de vraag of terecht is geweigerd appellant te laten re-integreren in zijn eigen functie van [naam functie] .
Inleiding
1.1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.2. Appellant is aangesteld bij het burgerpersoneel van defensie en werkzaam bij het [naam onderdeel] in de functie van [naam functie] . Op 8 november 2019 heeft hij zich ziekgemeld als gevolg van lichamelijke medische klachten.
1.3. In februari 2020 heeft appellant in het kader van de re-integratie op de eigen afdeling een beperkt aantal uren gewerkt. De bedrijfsarts achtte op 7 februari 2020 door de Coronacrisis inzet op het werk of re-integratie vooralsnog geen optie. Vanaf september 2020 tot in maart 2021 waren er geen of nauwelijks benutbare mogelijkheden. In januari 2021 heeft appellant ingestemd met het “Plan van Aanpak Spoor 2, Spoor 3 of ABP”. In maart 2021 adviseerde de bedrijfsarts dat appellant kan re-integreren voor 2x2 uur per week. Er werd een tijdelijke werkplek gevonden bij de [afdeling] van het [naam onderdeel], waar appellant kon starten met re-integreren met als doel het opbouwen van arbeidsritme. Appellant heeft echter laten weten om medische redenen niet te kunnen starten met reintegreren. Op 8 april 2021 heeft de bedrijfsarts appellant linkszijdig beperkt geacht en rechtszijdig wel belastbaar geacht voor aangepast werk. Hij adviseerde re-integratie in aangepast werk en de urenbelasting uit te breiden naar 3x2 uur per week.
1.4. Op de verzoeken van appellant van 20 april 2021 en 22 april 2021 om te mogen reintegreren in de eigen functie is door de commandant bij een besluit van 3 mei 2021 afwijzend beslist. De commandant heeft daarbij de bedrijfsarts gevolgd die op 8 april 2021 adviseerde dat appellant zijn re-integratiewerkzaamheden in het aangepaste werk (bij de cliënten [afdeling]) moet voortzetten, zoals nadien ook is bevestigd in het functie geschiktheids advies van 6 september 2021.
1.3. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Uwv) heeft aan appellant bij besluit van 25 april 2022 met ingang van 5 november 2021 een loongerelateerde uitkering in verband met de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%.
1.4. Het tegen het besluit van 3 mei 2021 gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
1.5. De commandant heeft bij besluit van 31 mei 2022 appellant wegens ongeschiktheid om arbeid te verrichten op grond van artikel 121, eerste lid, onder f van het BARD ontslag verleend met ingang van 1 september 2022.
Uitspraak van de rechtbank.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank vindt dat uit de adviezen van de bedrijfsarts voldoende blijkt dat appellant niet in staat is om zijn eigen werk, al dan niet aangepast, door ongeschiktheid als gevolg van ziekte te verrichten. Medische gegevens op grond waarvan moet worden getwijfeld aan de bevindingen van de bedrijfsarts zijn door appellant niet ingediend. De rechtbank oordeelt dat de commandant zich op grond van de stukken op het standpunt heeft mogen stellen dat appellant medisch gezien niet in staat kon worden geacht te re-integreren in zijn eigen, al dan niet aangepaste, functie.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4.1.
Anders dan namens de commandant is aangevoerd kunnen het toekennen van een uitkering op grond van de Wet WIA en het ontslagbesluit niet leiden tot de conclusie dat appellant geen procesbelang meer zou hebben bij de beoordeling van het hoger beroep. Appellant heeft tegen beide besluiten rechtsmiddelen aangewend. De rechtsgevolgen van die besluiten staan dan ook nog niet vast.
4.2.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op alle gronden ingegaan. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook in hoger beroep heeft appellant geen gegevens overgelegd waaruit blijkt dat het in navolging van de bedrijfsarts, en bevestigd in het belastbaarheidsonderzoek van Ergatis, door de commandant ingenomen standpunt als onjuist moet worden aangemerkt. Hieraan wordt het volgende toegevoegd. In het arbeidsdeskundig rapport is uitgebreid stilgestaan bij de werkzaamheden die behoren tot de functie van [naam functie] . Zo zijn voor het uitvoeren van een groot deel van de functie beide handen nodig en ondervindt appellant juist daarin fysieke beperkingen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 2023.
(getekend) J.J.T. van den Corput
(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt