Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2026:159

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
23/2755 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet WIAArt. 13a Wet WIAArt. 43 Wet WIAArt. 59 Wet WIAArt. 61 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep slaagt tegen weigering aanpassing WIA-dagloon wegens bijzondere omstandigheden

Appellant was werkzaam in twee dienstverbanden en viel eerst uit bij het eerste dienstverband, waarna hij een WIA-uitkering ontving. Later viel hij ook uit bij het tweede dienstverband, maar dit was vóór het ontstaan van de eerste WIA-uitkering. Het UWV weigerde het dagloon aan te passen omdat appellant niet voldeed aan artikel 13a, lid 1, Wet WIA, dat vereist dat de tweede ziekte-uitval na het ontstaan van de WIA-uitkering moet plaatsvinden.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de wetgever bewust heeft gekozen voor deze restrictie en dat er slechts één WIA-recht kan ontstaan. Appellant stelde dat deze toepassing leidt tot een onevenredige en onrechtvaardige uitkomst, omdat hij na de referteperiode nog geruime tijd werkte en premies betaalde, maar het hogere loon uit het tweede dienstverband niet in het dagloon werd meegenomen.

De Raad stelde vast dat de wetgever bij de invoering van artikel 13a Wet WIA niet had voorzien in situaties zoals die van appellant, waarbij het tweede dienstverband vóór het ontstaan van de eerste WIA-uitkering eindigt. De Raad oordeelde dat toepassing van artikel 13a in dit geval in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en daarom achterwege moet blijven. De Raad stelde zelf het dagloon vast op € 222,78 en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De uitspraak vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV, en komt daarmee tegemoet aan de belangen van appellant die anders onredelijk benadeeld zou worden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het dagloon wordt verhoogd vanwege bijzondere omstandigheden die toepassing van artikel 13a Wet WIA in strijd met het evenredigheidsbeginsel brengen.

Uitspraak

23/2755 WIA
Datum uitspraak: 18 februari 2026
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
23/2755 WIA
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 15 augustus 2023, 21/1857 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de weigering van het Uwv om op het moment dat een tweede recht op een WIA-uitkering zou zijn ontstaan het eerder vastgestelde WIA-dagloon te wijzigen, omdat appellant niet voldoet aan het criterium van artikel 13a, eerste lid, aanhef, onder a, van de Wet WIA. Appellant is namelijk niet ziek geworden uit een tweede dienstverband na het ontstaan van de WIA-uitkering, maar daarvoor. Volgens appellant moet op het voornoemde criterium voor hem een uitzondering worden gemaakt. De Raad volgt appellant hierin. De Raad is van oordeel dat toepassing van voornoemd criterium in het geval van appellant buiten toepassing moet worden gelaten, omdat het leidt tot onevenredige gevolgen die de wetgever niet heeft voorzien en die dus niet zijn verdisconteerd. De Raad stelt zelf het dagloon vast.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D.E. de Hoop hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 april 2024. Voor appellant is mr. De Hoop verschenen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
De Raad heeft het onderzoek na de zitting heropend en vragen gesteld aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de minister). In een brief van 28 februari 2025 heeft de minister deze vragen beantwoord. Partijen hebben daarop gereageerd.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een nadere zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Beide partijen hebben te kennen gegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. Daarom heeft de Raad de zaak niet opnieuw op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant is vanaf 1 september 2015 werkzaam geweest als ijshockeyspeler bij de [stichting] voor 15 uur per week. Daarnaast heeft hij vanaf 1 september 2016 voor 32 uur per week gewerkt als financieel adviseur, laatstelijk bij [naam] B.V.
1.2.
Op 14 december 2016 is appellant uitgevallen voor zijn werkzaamheden als ijshockeyspeler. Op 6 augustus 2018 is hij uitgevallen voor zijn werk als financieel adviseur.
1.3.
Het Uwv heeft appellant per 12 december 2018 in verband met de uitval voor zijn werkzaamheden als ijshockeyspeler een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend tot en met 11 juni 2020. Het WIA-maandloon is vastgesteld op € 2.633,06 en het WIA-dagloon op € 121,06. Daarbij is uitgegaan van een referteperiode van 1 december 2015 tot en met 30 november 2016.
1.4.
Met ingang van 12 juni 2020 is de loongerelateerde WGA-uitkering omgezet in een loonaanvullingsuitkering, waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100%.
1.5.
In verband met zijn ziekmelding per 6 augustus 2018 voor het werk als financieel adviseur bij [naam] B.V. heeft het Uwv bij besluit van 30 september 2020 de duur van de loongerelateerde uitkering verlengd tot en met 2 maart 2022. Daarbij is bepaald dat de hoogte van de reeds lopende WIA-uitkering niet wijzigt. Bij besluit van 7 oktober 2020 is appellant meegedeeld dat zijn WIA-dagloon niet wijzigt, omdat hij niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 13a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA.
1.6.
Bij beslissing op bezwaar van 17 maart 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de besluiten van 30 september 2020 en 7 oktober 2020 ongegrond verklaard. Het Uwv heeft het standpunt dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 13a. eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA gehandhaafd, aangezien op het moment van de tweede ziekmelding geen sprake was van een lopende WIAuitkering of een herleefd WIA-recht.
Uitspraak van de rechtbank
2.1.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de voorwaarden waaronder het dagloon kan worden verhoogd dwingendrechtelijk zijn neergelegd in artikel 13a van de Wet WIA en dat appellant niet voldoet aan die voorwaarden. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant begrepen als een beroep op de contra legem toepassing van het evenredigheidsbeginsel. [1] Onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis heeft de rechtbank vastgesteld dat er maar één uitkeringsrecht kan ontstaan in het kader van de Wet WIA. Daarbij heeft de wetgever ook expliciet de situatie voor ogen gehad dat iemand voor twee werkgevers werkt, voor zijn arbeid bij de ene werkgever ziek wordt en tijdens de wachttijd ook ziek wordt vanuit zijn werk bij de andere werkgever. [2] Dat er maar één recht kan ontstaan betekent automatisch dat er ook maar één dagloon kan worden vastgesteld en wel op het moment dat vanuit de eerste ziekmelding de einde wachttijd (na 104 weken ziekte) wordt bereikt. Wel heeft de wetgever geregeld dat de duur van de loongerelateerde uitkering wordt verlengd als de betrokkene op een later moment ook ziek wordt vanuit de tweede dienstbetrekking. De loongerelateerde uitkering van appellant is ook daadwerkelijk verlengd.
2.2.
De rechtbank heeft verder overwogen dat in de Wet WIA door de wetgever in eerste instantie niet was voorzien in een wijziging van een eenmaal vastgesteld dagloon. Met de Verzamelwet SZW 2013 [3] is per 1 juli 2013 artikel 13a van de Wet WIA ingevoerd, waarin is geregeld onder welke voorwaarden een eenmaal vastgesteld dagloon kan worden herzien. Uit de toelichting wordt volgens de rechtbank niet duidelijk waarom de wetgever ervoor heeft gekozen om daarin de voorwaarde op te nemen dat de tweede arbeidsongeschiktheid moet zijn ingetreden na het ontstaan van het recht op een WIAuitkering [4] , maar dat neemt niet weg dat in artikel 13a deze voorwaarde expliciet is opgenomen. De essentie van deze dwingend geformuleerde voorwaarde is dat degenen die niet aan deze eis voldoen geen aanspraak kunnen maken op verhoging van het dagloon. Deze essentie kan de wetgever bij het vaststellen van artikel 13a van de Wet WIA volgens de rechtbank niet zijn ontgaan, zodat in beginsel moet worden aangenomen dat de wetgever dit gevolg heeft bedoeld en voorzien. Een andersluidend artikel 40 van Pro de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) kan daar niet aan afdoen. Volgens de rechtbank heeft de wetgever er bewust voor gekozen om alleen in die gevallen dat sprake is van ziekte nadat een WIA-uitkering is toegekend een dagloonverhoging mogelijk te maken. Dat de wetgever zich er rekenschap van heeft gegeven dat er situaties zijn zoals die van appellant, blijkt uit de toelichting bij de keuze om maar één WIA-recht vast te stellen. De rechtbank heeft het aannemelijk geacht dat deze situatie ook, impliciet, betrokken is geweest bij de invoering van artikel 13a van de Wet WIA. Volgens de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever en de rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om contra legem af te wijken van het bepaalde in artikel 13a van de WIA door (analoge) toepassing van deze bepaling ondanks dat appellant niet voldoet aan de daarin gestelde voorwaarde(n).
Het standpunt van appellant
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft erkend dat het besluit van het Uwv in overeenstemming is met artikel 13a van de Wet WIA, maar hij stelt dat deze bepaling voor wat betreft de voorwaarde dat sprake moet zijn van ziekte na het ontstaan van een WIA-uitkering in zijn geval buiten toepassing moet worden gelaten. Anders dan de rechtbank heeft overwogen blijkt uit de memorie van toelichting bij artikel 13a van de Wet WIA niet dat de wetgever zich er rekenschap van heeft gegeven dat naast de in artikel 13a van de Wet WIA genoemde situaties zich nog meer situaties kunnen voordoen waarbij het feit dat de Wet WIA maar één recht op uitkering kent voor de hoogte van het dagloon nadelig kan uitpakken. Het lijkt erop dat de wetgever bij de totstandkoming van de Wet WIA zich geen rekenschap heeft gegeven van een situatie als die van appellant, waarbij de uitkomst afbreuk doet aan de verzekeringsgedachte en tot een onevenredige uitkomst leidt.
3.2.
Appellant is van mening dat de ongewijzigde vaststelling van zijn WIAdagloon zeer nadelig is en dat het Uwv na afloop van de tweede ziekteperiode van 104 weken het dagloon had moeten aanpassen. Het dagloon van het niet ontstane tweede WIArecht is vastgesteld op € 222,78, maar het eerder vastgestelde dagloon van € 121,06 is dus niet gewijzigd. Volgens appellant is sprake van strijd met de verzekeringsgedachte en het evenredigheidsbeginsel. Het eerder vastgestelde dagloon is gebaseerd op twaalf maanden loon als hockeyspeler en slechts drie maanden loon als financieel adviseur dat appellant heeft genoten in het refertejaar voorafgaand aan de eerste ziekmelding op 14 december 2016, terwijl hij in het jaar voorafgaand aan zijn tweede ziekmelding op 6 augustus 2018 gedurende twaalf maanden loon heeft genoten uit zijn dienstverband als financieel adviseur. Dit hogere loon leidt echter na het vervullen van de tweede wachttijd niet tot een hoger dagloon, omdat appellant uit dit tweede dienstverband ziek is geworden voordat het recht op de WIAuitkering is ontstaan. Appellant heeft daarbij benadrukt dat de strijd met de verzekeringsgedachte van de Wet WIA is gelegen in het feit dat hij nu over een groot gedeelte van het inkomen waarover wel premie is betaald geen uitkering ontvangt. Volgens appellant zou zijn dagloon vanaf zijn tweede ziekteperiode van 104 weken moeten worden gebaseerd op de volledige inkomsten uit de twee dienstbetrekkingen waaruit hij zich ziek heeft gemeld. Zijn dagloon zou dan op het maximum dagloon uitkomen. Volgens appellant is het eerder vastgestelde dagloon niet representatief voor het inkomen dat hij genoot en waarvoor hij was verzekerd en daarom pakt de toepassing van artikel 13a van de Wet WIA voor hem onevenredig uit.
3.3.
Appellant heeft in reactie op het antwoord van de minister op de vragen van de Raad aangevoerd dat uit de beantwoording van de vragen duidelijk is dat bij de totstandkoming van de regeling geen aandacht is besteed aan een situatie als die van hem. Appellant heeft benadrukt dat voor het zeer nadelige gevolg van deze bepaling geen rechtvaardigingsgrond bestaat.
Het standpunt van het Uwv
4.1.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.
4.2.
Het Uwv ziet in de brief van de minister een bevestiging van zijn standpunt. Het Uwv heeft aangevoerd dat voor de WIA-uitkering het intreden van het verzekerd risico de eerste ziektedag is. Daaruit vloeit voort dat de inkomsten uit een andere dienstbetrekking na die eerste ziektedag niet van invloed mogen zijn op het dagloon. Artikel 43, onder a, ten eerste, van de Wet WIA bepaalt dat geen recht op een WIA-uitkering kan ontstaan als al sprake is van een recht op een WIA-uitkering. Om die reden kan het Uwv appellant niet volgen in zijn standpunt dat twee rechten naast elkaar zouden leiden tot een maandloon gebaseerd op het maximum dagloon. Van bijzondere omstandigheden om af te wijken van artikel 13a van de Wet WIA is het Uwv niet gebleken. Voor zover er aanleiding wordt gezien voor een analoge toepassing van artikel 13a van de Wet WIA zou volgens het Uwv bij de dagloonvaststelling de ontvangen uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) buiten beschouwing moeten worden gelaten. Uitgaande van een berekening zonder de genoten ZW-uitkering zou een niet geïndexeerd dagloon van appellant uitkomen op € 129,92.

Het oordeel van de Raad

5. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep slaagt. De wettelijke regels die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
5.1.
Niet in geschil is dat het besluit van het Uwv in overeenstemming is met artikel 13a van de Wet WIA. Appellant voldoet immers niet aan de voorwaarde dat hij na het ontstaan van het recht op WIA-uitkering ziek is geworden uit zijn tweede dienstbetrekking.
5.2.
Artikel 13a van de Wet WIA betreft een wet in formele zin. Volgens vaste rechtspraak verzet het toetsingsverbod van artikel 120 van Pro de Grondwet zich in zijn algemeenheid tegen toetsing van een wettelijke bepaling aan algemene rechtsbeginselen en (ander) ongeschreven recht, zoals het evenredigheidsbeginsel. Toepassing van de wettelijke bepaling blijft echter achterwege als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever, waardoor een andere uitkomst nodig is dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval als die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. [5] Die situatie doet zich hier voor.
5.3.
Kort samengevat is de situatie van appellant als volgt. Na zijn uitval als ijshockeyspeler heeft hij nog geruime tijd, te weten ongeveer twintig maanden als financieel adviseur gewerkt. De omvang van dit dienstverband was groter dan de omvang van zijn dienstverband als ijshockeyspeler en ook het loon uit zijn dienstverband als financieel adviseur was hoger dan het loon dat hij ontving als ijshockeyspeler. Ondanks dat appellant deze werkzaamheden geruime tijd, waaronder het gehele refertejaar voor zijn tweede niet-ontstane WIA-recht, heeft verricht en premies voor de werknemersverzekeringen heeft betaald, wordt na het ontstaan van een fictief tweede WIA-recht het dagloon niet verhoogd, omdat hij vier maanden voor de toekenning van het eerste WIA-recht is uitgevallen voor zijn werkzaamheden als financieel adviseur en hij dus niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 13a, eerste lid, aanhef, onder a, van de Wet WIA.
5.4.1.
Appellant wordt gevolgd in zijn standpunt dat in de wetsgeschiedenis bij de totstandkoming van artikel 13a van de Wet WIA niet is terug te vinden waarom de wetgever de mogelijkheid tot verhoging van het dagloon alleen heeft geïntroduceerd voor de situatie dat een betrokkene al een WIA-uitkering ontvangt. In de memorie van toelichting over de invoering van artikel 13a staat in dit verband:
“Indien de verzekerde een loongerelateerde WGA-uitkering, een loonaanvulling of een IVAuitkering ontvangt, zou een niet-ontstane (tweede) uitkering hoger kunnen zijn geweest dan de bestaande uitkering vanwege een hoger dagloon dan het dagloon van het bestaande recht. Daarom wordt voorgesteld dat het dagloon wordt gelijkgesteld aan het dagloon van het nietontstane recht, indien laatstgenoemd dagloon hoger is. Dit wordt geregeld in het voorgestelde artikel 13a”. [6]
5.4.2.
Uit de wetsgeschiedenis valt dus niet af te leiden waarom de wetgever de mogelijkheid tot het verhogen van het dagloon heeft beperkt tot werknemers die op het moment van uitval uit een tweede dienstverband al een WIAuitkering ontvingen. De Raad heeft daarom vragen gesteld aan de minister over artikel 13a van de Wet WIA. De minister heeft – voor zover van belang – het volgende geantwoord:
“ (…) Het uitgangspunt (…) was dat de grondslag voor de uitkering gelijk is aan de grondslag voor de premieheffing. Daarom wordt het dagloon gebaseerd op hetzelfde loon als dat, waarover in de periode voorafgaand aan het risico, premie is betaald. Daarnaast geldt dat het verleden concrete aanknopingspunten biedt voor de vaststelling van een dagloon. Ook werkt op deze wijze de mate van gewenning aan opgetreden loonmutaties in het dagloon door: naarmate het hogere loon in de referteperiode langer is genoten, werkt dit ook sterker door in het dagloon. Zo wordt recht gedaan aan het uitgangspunt dat het dagloon een redelijke weerspiegeling moet geven van het welvaartsniveau van de betrokkene.
(…)
Indien de eerste dag van de wachttijd van het niet-ontstane recht ligt voor de dag dat het recht op de loongerelateerde uitkering is ontstaan, wordt de duur van deze loongerelateerde uitkering verlengd indien het niet-ontstane recht tot een langere uitkeringsduur zou hebben geleid. [7]
(…)
In 2013 is door middel van de Verzamelwet 2013 artikel 13a Wet WIA in werking getreden. Uit de toelichting bij artikel 13a Wet WIA blijkt dat de reden voor het opnemen van dit artikel was dat indien een verzekerde een loongerelateerde uitkering, een loonaanvullings- of een IVA-uitkering ontvangt en een niet-ontstane (tweede) uitkering als gevolg van het dagloon hoger zou zijn geweest dan de bestaande uitkering, het dagloon niet kon worden verhoogd. Door middel van de invoering van dit wetsartikel kan Uwv deze verhoging wel toepassen. [8] Uit de wettekst van artikel 13a Wet WIA volgt dat er sprake moet zijn van de uitsluitingsgrond van artikel 43, onderdeel a, onder 1, Wet WIA. Deze uitsluitingsgrond houdt in dat er sprake moet zijn van een recht op een IVA-uitkering of WGA-uitkering. Er dient daarmee dus sprake te zijn van een nieuwe eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor het nietontstane (tweede) recht. Omdat in de situatie dat iemand ziek is geworden uit een tweede dienstverband voordat aan diegene een WIA-uitkering is toegekend, er geen sprake is van een tweede recht, bestaat er in deze situatie geen uitsluitingsgrond in de zin van artikel 43, onderdeel a, onder 1, Wet WIA, en is artikel 13a Wet WIA niet van toepassing.
(…).”
5.4.3.
Met het bovenstaande heeft de minister geen antwoord gegeven op de vraag waarom de wetgever de mogelijkheid tot het verhogen van het dagloon heeft beperkt tot werknemers die bij de uitval uit het tweede dienstverband al een WIA-uitkering ontvingen. Bovendien kan de Raad de laatste zin van het hiervoor weergegeven antwoord van de minister niet volgen, omdat uit artikel 43 van Pro de Wet WIA volgt dat de uitsluitingsgrond zich pas voordoet op het moment dat een tweede WIA-recht zou ontstaan en dus niet het moment waarop iemand ziek is geworden. In het geval van appellant doet zich de uitsluitingsgrond van artikel 43 van Pro de Wet WIA pas voor op 2 augustus 2020, het moment waarop de wachttijd van het tweede fictief WIA-recht eindigt, en niet op 6 augustus 2018, het moment waarop hij uit het tweede dienstverband is uitgevallen. Ook valt het antwoord van de minister, dat er geen sprake is van een niet-ontstane tweede recht wanneer iemand ziek is geworden uit een tweede dienstverband voordat aan diegene een WIA-uitkering is toegekend, niet te rijmen met het antwoord dat de duur van de loongerelateerde uitkering wordt verlengd indien de eerste dag van de wachttijd van het niet-ontstane recht ligt voor de dag dat het recht op de loongerelateerde uitkering is ontstaan en het niet-ontstane recht tot een langere uitkeringsduur zou hebben geleid. Hieruit volgt immers dat er sprake is van een tweede niet-ontstane recht in de situatie dat iemand ziek is geworden uit een tweede dienstverband voordat aan diegene een WIA-uitkering is toegekend.
5.4.4.
Ook bij de totstandkoming van de Wet WIA is kennelijk niet aan de in 5.3 genoemde situatie gedacht. Wel is toen de situatie benoemd van een werknemer die werkzaam was in twee dienstverbanden en nadat hij zijn werkzaamheden in één van beide dienstbetrekkingen (dienstbetrekking A) wegens ziekte heeft neergelegd, binnen 104 weken daarna wegens ziekte ook zijn arbeid in de andere dienstbetrekking (dienstbetrekking B) niet meer kan verrichten. Daarbij is opgemerkt dat ook in dat geval het dagloon van de uitkering wordt berekend aan de hand van het loon uit alle dienstbetrekkingen die de werknemer in het refertejaar heeft vervuld. In het daarbij gegeven voorbeeld wordt ervan uitgegaan dat de werknemer in het hele refertejaar in beide banen werkzaam is geweest. [9] Bij de totstandkoming van de Wet WIA is voor deze situatie in artikel 59, zevende lid, van de Wet WIA een voorziening getroffen in die zin dat de duur van de loongerelateerde WGAuitkering kan worden verlengd [10] . Deze bepaling, die het Uwv in het geval van appellant heeft toegepast, heeft echter voor appellant – uitgaande van de gegevens die bekend zijn – feitelijk geen betekenis. De loongerelateerde uitkering is weliswaar verlengd, maar de hoogte van deze uitkering is gelijk aan die van de loonaanvullingsuitkering, aangezien appellant 80 tot 100% arbeidsongeschikt was. Daarbij is dit eventuele voordeel in tijd begrensd en levert het in ieder geval geen hoger dagloon op. Daar komt bij dat voor degenen die wel onder toepassing van artikel 13a van de Wet WIA vallen ook een soortgelijke regeling is getroffen in artikel 61, negende lid, en artikel 62, vijfde lid, van de Wet WIA.
5.4.5.
Uit de memorie van toelichting bij de invoering van artikel 13a van de Wet WIA op 1 juli 2013 is ook niet op te maken dat de wetgever vanwege het reeds bestaande artikel 59, zevende lid, van de Wet WIA uitdrukkelijk de situaties als die van appellant heeft willen uitzonderen van het opnieuw vaststellen van het dagloon. Hoewel op het moment van de totstandkoming van de Wet WIA een situatie als die van appellant nog niet relevant was, omdat verhoging van het dagloon bij het ontstaan van een tweede WIA-recht nog niet mogelijk was, is dat bij de invoering van artikel 13a van de Wet WIA wel relevant geworden. Niet is gebleken dat daaraan aandacht is besteed.
5.4.6.
Verder heeft de minister in antwoord op vragen van de Raad omtrent de wijziging van artikel 40 van Pro de WAO, welk artikel tegelijk met de invoering van artikel 13a van de Wet WIA per 1 juli 2013 is gewijzigd, het volgende opgemerkt. Door middel van de Verzamelwet 2013 is artikel 40 van Pro de WAO gewijzigd door onder meer artikel l9aa WAO toe te voegen. Dit artikel bevat eenzelfde uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 43, onderdeel a, onder 1, Wet WIA. Dit blijkt ook uit de memorie van toelichting bij de Verzamelwet 2013. [11] Beide bepalingen spreken dus van een situatie waarbij er sprake is van een niet-ontstane (tweede) recht op een WAO- dan wel WIA-uitkering. De minister heeft daaraan toegevoegd dat hoewel de formulering van artikel 40 van Pro de WAO en artikel 13a van de Wet WIA niet volledig overeenkomt, de essentie van beide artikelen wel hetzelfde.
5.4.7.
Hoewel de Raad onderkent dat op 1 juli 2013 geen nieuwe WAO-instroom meer bestond, omdat deze wet was gesloten voor nieuwe gevallen en dus bij de wijziging van artikel 40 van Pro de WAO een andere formulering is gekozen dan bij artikel 13a van de Wet WIA, blijkt noch uit de memorie van toelichting bij de wijziging van artikel 40 van Pro de WAO noch uit de nota naar aanleiding van het verslag [12] noch uit de memorie van toelichting van artikel 13a van de Wet WIA dat is stilgestaan bij het verschil tussen de WAO, waarbij dus instroom was uitgesloten, en de Wet WIA, waarbij wel sprake was van nieuwe instroom. Alleen is terug te vinden dat het wenselijk werd geacht te regelen dat het WAO-dagloon of WIA-dagloon kan worden verhoogd als aan de voorwaarden voor een (nieuw) recht op WAOuitkering is voldaan, maar dat recht niet ontstaat omdat de betrokkene reeds een WAOuitkering of WIA-uitkering heeft. Ook hierin heeft de Raad dus geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het opnemen van de voorwaarde van artikel 13a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA.
5.4.8.
Op de vraag van de Raad of de minister meent dat in het geval van appellant het WIAdagloon is aan te merken als historisch dagloon, heeft de minister geantwoord dat het historisch dagloon het genoten loon is bij alle werkgevers in het jaar voorafgaand aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid (het refertejaar) gedeeld door 261. Het refertejaar eindigt bij meerdere dienstbetrekkingen op de laatste dag van dat laatste voorafgaande tijdvak dat het eerste voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid is geëindigd. [13] In het geval van appellant is drie maanden loon genoten vanuit zijn werk als financieel adviseur en is het dagloon dat via deze systematiek is vastgesteld het historisch dagloon. De vraag is of het antwoord van de minister opgaat als een betrokkene, zoals appellant, na de referteperiode (nog) geruime tijd heeft gewerkt in een tweede dienstverband en later voor dat tweede dienstverband is uitgevallen. Het hogere loon dat na de referteperiode is genoten, wordt namelijk niet verdisconteerd in een hoger dagloon. Ook de wetgever heeft bij de invoering van artikel 13a van de Wet WIA geen aandacht besteed aan de vraag of met het historisch dagloon in gevallen zoals appellant, die niet voldoen aan de voorwaarde van artikel 13a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA, maar nog wel lang in een tweede dienstverband hebben gewerkt en premies over het loon hebben afgedragen, wel recht wordt gedaan aan het verzekeringskarakter van de Wet WIA.
5.4.9.
Op grond van de overwegingen 5.4.1 tot en met 5.4.8 concludeert de Raad dat de wetgever bij de invoering van artikel 13a van de Wet WIA niet de situatie heeft onderkend dat een werknemer in het refertejaar slechts kort, zoals appellant, dan wel geen werkzaamheden heeft verricht in dienstbetrekking B op het moment van uitval uit dienstbetrekking A, maar na zijn uitval uit dienstbetrekking A (nog) geruime tijd werkzaamheden in dienstbetrekking B heeft verricht.
5.4.10.
Bij de beoordeling van de vraag waartoe voornoemde conclusie moet leiden, acht de Raad nog het volgende van belang. In antwoord op de vraag van de Raad of volgens de minister sprake is van een knelpunt of een bijzondere hardheid die in het geval van appellant voor het Uwv aanleiding kunnen zijn om het dagloon van appellant analoog aan artikel 13a van de Wet WIA vast te stellen, heeft de minister geantwoord dat artikel 13a van de Wet WIA in algemene zin niet als knelpunt of bijzondere hardheid te beschouwen en dat de vraag of hiervan in dit specifieke geval sprake is niet aan hem is om te bepalen, aangezien de uitvoering van de Wet WIA bij het Uwv is belegd. Het beoordelen van individuele casussen en daarmee de afweging van verschillende aspecten in deze casus kan de minister daarom niet maken. De minister heeft daarbij gesteld dat het Uwv in de voorliggende zaak de afweging over het evenredigheidsbeginsel wel heeft gemaakt. De Raad leidt daaruit af dat volgens de minister in het geval van appellant wel ruimte bestaat de toepassing van artikel 13a van de Wet WIA te toetsen aan het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. In dit verband merkt de Raad op dat als de voorwaarde van artikel 13a van de WIA niet van toepassing zou zijn, dan zou het dagloon aanzienlijk hoger liggen dan het door het Uwv vastgestelde dagloon.
5.4.11.
De Raad concludeert dan ook dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die de wetgever niet heeft verdisconteerd bij het vaststellen van artikel 13a van de Wet WIA, waardoor toepassing van artikel 13a van de Wet WIA, voor zover daarin de voorwaarde is opgenomen dat voor het opnieuw kunnen vaststellen van het dagloon geldt dat een betrokkene na het ontstaan van het recht op een WIAuitkering ziek is geworden, zo zeer in strijd komt met het evenredigheidsbeginsel dat die toepassing in dit geval achterwege moet blijven.

Conclusie en gevolgen

6. Het overwogene onder 5.2 tot en met 5.4.11 brengt met zich dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep tegen het bestreden besluit is gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd. Anders dan het Uwv heeft betoogd, ziet de Raad geen aanleiding om bij de vaststelling van het dagloon uit het tweede dienstverband van appellant geen rekening te houden met het ziekengeld dat appellant in de referteperiode heeft ontvangen. In artikel 13 en Pro 13a van de Wet WIA wordt ziekengeld – anders dan een WIA-uitkering – namelijk niet uitgesloten van het loonbegrip. In het dagloon rapport van 31 augustus 2020 heeft het Uwv het dagloon van het niet ontstane recht – na indexering en maximering ‑ per 1 juli 2020 vastgesteld op € 222,78. De Raad ziet aanleiding de besluiten van 30 september 2020 en 7 oktober 2022 te herroepen, voor zover het de hoogte van het dagloon betreft en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak te voorzien en het dagloon van de WIAuitkering van appellant per 2 augustus 2020 vast te stellen op € 222,78.
7.1.
Omdat het hoger beroep slaagt, krijgt appellant een vergoeding voor de kosten die hij in bezwaar, beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 1.332- in bezwaar (1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor de hoorzitting, met een waarde van € 666,- per punt), € 2.335,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor een nadere reactie, met een waarde van € 934,- per punt) en € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor de zitting en 0,5 punt voor een nadere reactie, met een waarde van € 934,- per punt), in totaal € 6.002,- voor verleende rechtsbijstand.
7.2.
Ook moet het Uwv het in beroep en hoger beroep door appellant betaalde griffierecht vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 17 maart 2021;
- herroept de besluiten van 30 september 2020 en 7 oktober 2020 voor zover daarbij is bepaald dat het dagloon niet wijzigt;
- stelt het dagloon op 2 augustus 2020 vast op een bedrag van € 222,78 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats komt van het vernietigde besluit van 17 maart 2021;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 6.002,-;
- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 185,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin als voorzitter en C. Karman en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van N. Heerdt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2026.
(getekend) M.E. Fortuin
De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels

Artikel 13 Wet Pro WIA
1. Voor de berekening van een uitkering waarop op grond van deze wet recht bestaat, wordt als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer verdiende in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden doch ten hoogste het in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen bedoelde bedrag met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
(…)
Artikel 13a Wet WIA
1. Het dagloon van de verzekerde,
a. die na het ontstaan van het recht op uitkering op grond van deze wet ziek is geworden, en
b. voor wie als gevolg van de toepassing van artikel 43, onderdeel a, onder 1°, geen tweede recht op een uitkering ontstaat, omdat de eerste dag van de wachttijd is gelegen op een dag dat al recht op een uitkering op grond van deze wet bestaat of indien op die eerste dag het recht op een uitkering herleeft;
wordt met ingang van de dag waarop het tweede recht op een uitkering zou zijn ontstaan opnieuw vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 13, eerste lid, mits dat leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen uitkering in aanmerking werd genomen. In afwijking van het bepaalde bij of krachtens artikel 13 wordt Pro bij de dagloonvaststelling, bedoeld in de eerste zin, een uitkering op grond van hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 niet aangemerkt als loon.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt in artikel 13, eerste lid, in plaats van «voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot volledig en duurzame arbeidsongeschiktheid of gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid heeft geleid, is ingetreden» gelezen: voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ziekte, het gebrek, de zwangerschap of de bevalling, die tot het ontstaan van een tweede recht op uitkering zou hebben geleid, is ingetreden.
Artikel 43 Wet Pro WIA
Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen worden de volgende uitsluitingsgronden onderscheiden:
a. het recht hebben op een uitkering:
1°.op grond van hoofdstuk 6 of hoofdstuk 7 van deze wet; of
(…)
Artikel 59 Wet Pro WIA
(…)
7. De duur van de loongerelateerde uitkering, bedoeld in het eerste lid, wordt verlengd indien als gevolg van de uitsluitingsgrond, bedoeld in artikel 43, onderdeel a, onder 1°, geen recht op een uitkering is ontstaan indien de eerste dag van de wachttijd van dit niet ontstane recht op een uitkering is gelegen voor de dag dat recht op de loongerelateerde uitkering is ontstaan en dit niet ontstane recht op een uitkering tot een langere duur van de loongerelateerde uitkering zou hebben geleid.
Artikel 61 Wet Pro WIA
(…)
9. De hoogte van de loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering wordt voor de verzekerde:
a. die na het ontstaan van het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk ziek is geworden, en
b. voor wie als gevolg van de toepassing van artikel 43, onderdeel a, onder 1°, geen tweede recht op een uitkering op grond van dit hoofdstuk ontstaat omdat de eerste dag van de wachttijd is gelegen op een dag dat al recht op een uitkering op grond van deze wet bestaat of indien op die eerste dag het recht op een uitkering herleeft;
gedurende de periode dat, in het geval hij wel recht zou hebben gehad op een loongerelateerde uitkering en in het geval de hoogte van de loongerelateerde uitkering hoger zou zijn geweest dan de hoogte van de loonaanvullingsuitkering van de WGA-uitkering zoals die op grond van het tweede, vierde, vijfde of zevende lid is vastgesteld, vastgesteld op de hoogte van die loongerelateerde uitkering.
Artikel 62 Wet Pro WIA
(…)
5. De hoogte van de vervolguitkering wordt voor de verzekerde:
a. die na het ontstaan van recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk ziek is geworden, en
b. voor wie als gevolg van de toepassing van artikel 43, onderdeel a, onder 1°, geen tweede recht op een uitkering op grond van dit hoofdstuk ontstaat omdat de eerste dag van de wachttijd is gelegen op een dag dat al recht op een uitkering op grond van dit hoofdstuk bestaat of indien op die eerste dag het recht op een dergelijke uitkering herleeft;
gedurende de periode dat, in het geval hij wel recht zou hebben gehad op een loongerelateerde uitkering en in het geval dat de hoogte van de loongerelateerde uitkering hoger zou zijn geweest dan de hoogte van de vervolguitkering zoals die op grond van het eerste tot en met vierde lid is vastgesteld, vastgesteld op de hoogte van die loongerelateerde uitkering.
Artikel 19aa WAO
De verzekerde, bedoeld in artikel 19, heeft geen recht op toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op de dag waarop het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou ingaan reeds recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft.
Artikel 40 WAO Pro
1. Het dagloon van de verzekerde, bedoeld in artikel 19aa, wordt met ingang van de dag waarop het tweede recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering zou zijn ontstaan opnieuw vastgesteld overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 14, mits dat leidt tot een hoger dagloon dan het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen loondervingsuitkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen. In afwijking van het bepaalde bij of krachtens artikel 14 wordt Pro bij de dagloonvaststelling, bedoeld in de eerste zin, de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van deze wet niet aangemerkt als loon.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt in artikel 14, eerste lid, in plaats van de woorden «voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ingetreden» gelezen: voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de arbeidsongeschiktheid is ontstaan waaruit het tweede recht op arbeidsongeschiktheiduitkering zou zijn ontstaan.
(…)

Voetnoten

1.ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
2.Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr. 3, blz. 74.
3.Wet van 19 juni 2013, Stb. 2013, 236 (Verzamelwet 2013)
4.Kamerstukken II 2012/13, 33 556, nr. 3, blz. 22.
5.Dit wordt contralegem-toepassing van algemene rechtsbeginselen genoemd. Zie CRvB 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2622, en ABRvS 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772 (overwegingen 9.11 tot en met 9.14).
6.Kamerstukken II 2012/13, 33 556, nr. 3, blz. 22.
7.Artikel 59, zevende lid, van de Wet WIA
8.Kamerstukken II 2012-13, 33 556, nr. 3, p. 22.
9.Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr. 3, p. 73 en 74.
10.Kamerstukken II 2004/05, 30 034, nr. 3, blz. 74.
11.Voetnoot in origineel 8: Kamerstukken II 2012-2013, 33556, nr. 3, p. 10-11.
12.Kamerstukken II 2012-2013, 33 556, nr. 3, blz. 10-11 en nr. 6, blz. 11.
13.Artikel 13 en Pro 16 van het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen en Stb. 2013, 385, p. 34.