ECLI:NL:CRVB:2026:15

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 januari 2026
Publicatiedatum
13 januari 2026
Zaaknummer
24/1621 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugvordering van bijstand in verband met erfenis en vertrouwensbeginsel

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 6 januari 2026 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De zaak betreft de terugvordering van bijstandsuitkeringen van appellant, die een erfenis heeft ontvangen na het overlijden van zijn moeder. Appellant ontving sinds 18 juli 2007 bijstand op basis van de Participatiewet (PW) en heeft in 2018 aangegeven een erfenis te verwachten. Na de afwikkeling van de erfenis in 2022, heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda een terugvordering van bijstand ingesteld, omdat appellant in de periode van bijstandsverlening aanspraak had op middelen uit de erfenis. Appellant betwistte de hoogte van het terugvorderingsbedrag en voerde aan dat kosten voor het verkoopbaar maken van de ouderlijke woning in mindering moesten worden gebracht op zijn erfdeel. De Raad oordeelde dat deze kosten al van de erfenis waren afgetrokken voordat het erfdeel van appellant werd vastgesteld. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel werd afgewezen, omdat appellant niet kon aantonen dat er toezeggingen waren gedaan door het college. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waardoor de terugvordering in stand blijft. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 7 juni 2024, 23/11758 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Breda (college)
Datum uitspraak: 6 januari 2026

SAMENVATTING

Deze zaak gaat over een terugvordering van kosten van bijstand van appellant in verband met de ontvangst van zijn aandeel in de nalatenschap van zijn moeder. Appellant stelt dat het terugvorderingsbedrag onjuist is berekend. Hij krijgt daarin geen gelijk.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. Çiçek, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen in een regiebrief van 29 oktober 2025 laten weten hoe hij het geschil voorshands ziet en ook dat hij op grond van het dossier een zitting niet nodig vindt en hen gewezen op hun recht om te worden gehoord. Partijen hebben niet binnen de hen gegeven termijn verklaard gebruik te willen maken van dat recht. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant, die inwonend was bij zijn moeder, ontving sinds 18 juli 2007 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor een alleenstaande. Het vermogen van appellant is bij aanvang van de bijstand vastgesteld op € 361,11. Op [datum] 2018 is de moeder van appellant overleden. Appellant heeft het college op 20 augustus 2018 meegedeeld dat hij een erfenis verwacht, dat de ouderlijke woning verkocht zal worden en dat hij het college zal informeren over de voortgang van de afwikkeling van de erfenis.
1.2.
Op 4 april 2022 heeft appellant bij het college stukken ingediend over de afwikkeling van de erfenis. Uit de afrekening van de notaris blijkt dat, nadat op de erfenis kosten in mindering zijn gebracht, het erfdeel van appellant € 54.112,55 bedraagt en ook dat in 2018 en 2020 aan appellant voorschotten op zijn erfdeel zijn verstrekt, zodat appellant nog een bedrag van € 42.722,55 moest ontvangen. Op 1 april 2022 heeft appellant dit bedrag op zijn bankrekening ontvangen.
1.3.
Met een besluit van 20 februari 2023, zoals na bezwaar gehandhaafd met een besluit van 2 november 2023 (bestreden besluit), heeft het college kosten van bijstand over de periode van [datum] 2018 tot 11 maart 2021 tot een bedrag van € 32.380,90 van appellant teruggevorderd. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de beschikking heeft verkregen over naderhand verkregen middelen als bedoeld in artikel 58, tweede lid, aanhef en onder f, van de PW. Appellant had op [datum] 2018 een aanspraak op de erfenis van zijn moeder. Het daaruit verkregen aandeel betreft een bedrag van € 54.112,55.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de terugvordering van bijstand in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4.1.
Niet in geschil is dat appellant op [datum] 2018 een aanspraak had op zijn aandeel in de erfenis van zijn moeder, dat deze erfenis in maart 2022 is afgewikkeld en dat het aandeel van appellant in deze erfenis € 54.112,55 bedraagt. Tussen partijen is in geschil of het college het terugvorderingsbedrag juist heeft berekend.
4.2.
Terugvordering van bijstand in verband met naderhand verkregen middelen is mogelijk als de betrokkene op een eerder tijdstip in de periode waarover bijstand is verleend aanspraak op bepaalde middelen had, maar daarover op dat moment feitelijk nog niet kon beschikken. Zodra de betrokkene wel over die middelen kan beschikken, kan de bijstandverlenende instantie de bijstand terugvorderen. Voor het bepalen van de hoogte van het terugvorderingsbedrag moet achteraf een fictieve vermogensvaststelling plaatsvinden naar de situatie op de peildatum. Als de aanspraak na de aanvang van de bijstand is ontstaan, zoals in deze zaak, dan is de dag waarop de aanspraak is ontstaan de peildatum. Bij de berekening is de waarde van de ontvangen middelen op de peildatum medebepalend. Die moet worden opgeteld bij de op dat moment aanwezige overige positieve en negatieve vermogensbestanddelen. [1]
4.3.
Appellant voert allereerst aan dat het college heeft toegezegd dat bij de berekening van het terugvorderingsbedrag het in 1.2 genoemde bedrag van € 42.722,55 als uitgangspunt zou worden genomen. Volgens appellant blijkt deze toezegging uit een e-mailbericht van 7 mei 2021 van de inkomensspecialist Keten Participatie Team Inkomen (inkomensspecialist). Deze beroepsgrond slaagt niet.
4.3.1.
Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. [2] Dat is hier niet het geval. In de regiebrief van 29 oktober 2025 heeft de Raad appellant meerdere e-mailberichten van 7 mei 2021 voorgehouden. Daaruit blijkt niet van de door appellant gestelde toezegging. Daaruit blijkt juist dat het college op vragen van appellant desgevraagd heeft geantwoord dat het college bij de terugvordering rekening zal houden met het aan appellant toekomende erfdeel.
4.4.
Appellant voert ook aan dat op zijn erfdeel nog de door hem gemaakte kosten voor het verkoopbaar maken van de ouderlijke woning in mindering moeten worden gebracht. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
4.4.1.
De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de kosten voor het verkoopbaar maken van de ouderlijke woning in mindering moeten worden gebracht op de erfenis voordat het erfdeel wordt bepaald. Daarmee zijn dit dus kosten van de erfenis en geen kosten die ten laste van appellant komen. In de afrekening van de notaris is ook te zien dat deze kosten ten laste van de erfenis zijn gekomen. In de afrekening is een kostenpost opgenomen in verband met het verkoopklaar maken van de woning. Het gaat om een totaalbedrag van € 9.268,25 van bedrijf X. Voor het op het erfdeel van appellant in mindering brengen van kosten voor het verkoopklaar maken van de ouderlijke woning bestaat dus geen aanleiding.
4.5.
Appellant heeft tot slot aangevoerd dat het college bij de vaststelling van het vrij te laten vermogen ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een eerder vrijgelaten immateriële schadevergoeding. Ook deze grond slaagt niet. De bedoelde immateriële schadevergoeding is voor de besluitvorming niet relevant. De terugvordering is gebaseerd op het gegeven dat appellant aanspraak heeft op een erfenis, welke aanspraak tijdens bijstandsverlening is ontstaan. Dat aandeel in de erfenis heeft het college afgezet tegen het resterende vrij te laten vermogen. Het college heeft de immateriële schadevergoeding destijds niet als vermogen in aanmerking genomen. De schadevergoeding heeft dus geen invloed gehad op dat resterende vrij te laten vermogen.

Conclusie en gevolgen

4.6.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de terugvordering in stand blijft.
4.7.
Omdat het hoger beroep niet slaagt, krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2026.

(getekend) P.W. van Straalen

(getekend) A.H. Hagendoorn-Huls

Voetnoten

1.Zie onder meer uitspraken van 5 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:856, en van 15 februari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:323.
2.Zie onder meer uitspraak van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.