ECLI:NL:CRVB:2025:737
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van terugvordering en boete wegens niet gemelde inkomsten op WAO-uitkering
Appellant ontving sinds 1999 met onderbrekingen een WAO-uitkering. Naar aanleiding van een politieonderzoek stelde het UWV vast dat appellant tussen 1 februari 2013 en 1 maart 2020 inkomsten uit zelfstandige werkzaamheden had genoten die niet waren gemeld. Het UWV bracht deze inkomsten in mindering op de uitkering en vorderde het onverschuldigd betaalde bedrag van €35.851,49 terug. Tevens legde het UWV een boete van €40,- op wegens schending van de inlichtingenplicht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant inkomsten had genoten, mede ondersteund door een onherroepelijk strafvonnis waarin appellant werd veroordeeld voor onder meer oplichting en witwassen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het UWV niet aannemelijk had gemaakt dat hij inkomsten had genoten en dat fiscale gegevens leidend moesten zijn, en dat de boete onterecht was.
De Centrale Raad van Beroep verwierp het hoger beroep en onderschreef de overwegingen van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het strafvonnis onherroepelijk is en daarmee strafrechtelijk bewezen dat appellant in genoemde periode inkomsten uit criminele activiteiten had. Het UWV mocht deze inkomsten als zelfstandige werkzaamheden aanmerken en de uitkering daarop baseren. Het opleggen van de boete was eveneens terecht vanwege het niet nakomen van de inlichtingenplicht.
De Raad bevestigde het bestreden besluit, wees het hoger beroep af en veroordeelde appellant tot het dragen van zijn proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het UWV mag de WAO-uitkering korten, het onverschuldigd betaalde bedrag terugvorderen en een boete opleggen.