ECLI:NL:CRVB:2025:729
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling subsidie NOW-1 gebaseerd op omzetverlies en periodetoerekening
Appellante heeft een subsidie aangevraagd op grond van de NOW-1 regeling voor de periode maart tot en met mei 2020, gebaseerd op een geschat omzetverlies van 90%. De minister stelde de subsidie definitief vast op € 13.604,-, gebaseerd op een omzetverlies van 31%, waarbij de omzet over 2020 evenredig werd toegerekend aan de subsidieperiode volgens artikel 6, zesde lid, van de NOW-1. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante gegrond en stelde de subsidie vast op € 14.821,-, waarbij de omzetdaling werd berekend op 33%.
De minister beriep zich op de uitzondering in artikel 6, zesde lid, van de NOW-1 om de omzet van januari 2020, die een piek vertoonde door verkoop van softwarelicenties, naar rato toe te rekenen aan de subsidieperiode. Appellante betwistte dit en stelde dat de omzet van januari niet betrekking heeft op een langere periode en dat de rechtbank een verkeerde belangenafweging maakte.
De Raad oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de omzet van januari 2020 betrekking heeft op een langere periode zoals vereist in artikel 6, zesde lid, van de NOW-1. Uit de stukken blijkt dat de omzet van appellante gedurende het jaar fluctueert en niet hoofdzakelijk in januari wordt gegenereerd. Daarom moet de omzetdaling worden vastgesteld volgens de hoofdregel van artikel 6, eerste lid, van de NOW-1. De Raad vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuwe beslissing te nemen. Tevens worden de proceskosten van appellante toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de besluiten worden vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen volgens artikel 6, eerste lid, van de NOW-1.