ECLI:NL:CRVB:2025:689
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omzetting WGA-loonaanvullingsuitkering in WGA-vervolguitkering en terugvordering te veel betaalde uitkering
Appellant ontving sinds 2018 een loongerelateerde WGA-uitkering die later werd omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. Na beëindiging van zijn dienstverband in juli 2021 stelde het UWV vast dat appellant vanaf 1 augustus 2021 niet meer voldeed aan de inkomenseis voor een loonaanvullingsuitkering en keerde daarom een WGA-vervolguitkering uit. Tevens werd vastgesteld dat appellant over de periode van april tot en met juni 2021 te veel uitkering had ontvangen, welke het UWV terugvorderde.
Appellant voerde aan dat het UWV het verzoek om herbeoordeling van zijn arbeidsongeschiktheid niet afzonderlijk had moeten behandelen en dat hij vanaf 1 augustus 2021 nog recht had op een loonaanvullingsuitkering omdat zijn salarisbetaling per vier weken ononderbroken was doorgegaan. Ook stelde hij dat de omzetting en terugvordering onterecht waren en dat het UWV onvoldoende inzicht had gegeven in de omzetting van loonbetalingen per vier weken naar maandinkomen.
De Raad oordeelde dat het verzoek om herbeoordeling terecht los van de bezwaarprocedure was behandeld, omdat de besluiten betrekking hadden op inkomensvaststelling en niet op de mate van arbeidsongeschiktheid. De omzetting van loonbetalingen naar maandinkomen was correct uitgevoerd volgens het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. De terugvordering was terecht omdat appellant in april en mei 2021 niet voldeed aan de inkomenseis. Dringende redenen om af te zien van terugvordering waren niet aannemelijk gemaakt. De financiële gevolgen werden bovendien gecompenseerd door een nabetaling over een latere periode.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV bevestigd.