ECLI:NL:CRVB:2025:643
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens langer verblijf in buitenland zonder dringende reden
Appellant ontving bijstand van het college van burgemeester en wethouders van Tilburg, maar verbleef van 15 december 2020 tot 15 maart 2021 zonder voorafgaande melding langer dan vier weken in het buitenland, namelijk in Congo. Het college trok de bijstand over de periode van 14 januari tot en met 16 maart 2021 in en vorderde de kosten van bijstand terug wegens schending van de inlichtingenverplichting en het ontbreken van recht op bijstand tijdens het verblijf in het buitenland.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit van het college. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij vanwege een ernstige medische situatie, waaronder malaria en COVID-19 symptomen, en zijn financiële situatie recht had op bijstand op grond van zeer dringende redenen volgens artikel 16, eerste lid, van de Participatiewet.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant reeds voor vertrek wist dat hij langer dan toegestaan in het buitenland zou verblijven en dat het college terecht de bijstand had ingetrokken en teruggevorderd. De medische situatie van appellant vormde geen dringende reden die bijstandverlening noodzakelijk maakte. Het hoger beroep werd afgewezen, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en appellant werd geen vergoeding voor proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.