ECLI:NL:CRVB:2025:607
Centrale Raad van Beroep
- Schadevergoedingsuitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing compensatie transitievergoeding wegens niet voldoen aan voorwaarden en geen strijd met evenredigheidsbeginsel
Appellant, werkgever, betaalde in 2016 een transitievergoeding aan een ex-werknemer die wegens ziekte was uitgevallen. Hij vroeg compensatie van deze vergoeding bij het UWV wegens langdurige arbeidsongeschiktheid van de werknemer. Het UWV wees dit af omdat de arbeidsovereenkomst eindigde vóór het verstrijken van de wettelijke opzegtermijn van twee jaar ziekte.
De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat het UWV de afwijzing op verkeerde gronden baseerde; de afwijzing had moeten plaatsvinden op bedrijfseconomische gronden, namelijk bedrijfsbeëindiging bij pensionering van appellant. De rechtbank wees echter de compensatie alsnog af omdat de vergoeding vóór 1 januari 2021 was betaald, terwijl het Besluit compensatie transitievergoeding alleen vergoedingen na die datum dekt.
Appellant voerde aan dat hem analoge toepassing van de wet en het evenredigheidsbeginsel gedeeltelijke compensatie rechtvaardigen, en dat de afwijzing onredelijk bezwarend is. De Raad verwierp deze argumenten en bevestigde dat de wettelijke voorwaarden en het Besluit strikt moeten worden toegepast. Ook de gevorderde schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn werd toegekend voor een overschrijding van twee maanden.
De Raad concludeert dat appellant geen compensatie ontvangt en geen proceskosten vergoed krijgt, maar wel een vergoeding van €500,- wegens overschrijding van de redelijke termijn. De afwijzing van de compensatie blijft in stand.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om compensatie van de transitievergoeding blijft in stand; de Staat betaalt €500,- schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.