ECLI:NL:CRVB:2025:582
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- S.B. Smit-Colenbrander
- C.F.E. van OldenSmit
- W.R. van der Velde
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ten onrechte betaalde Ziektewet-uitkering naast WW-uitkering
Appellante ontving van 21 juni 2020 tot en met 30 september 2020 zowel een Ziektewet-uitkering als een Werkloosheidswet-uitkering, waardoor zij ten onrechte een dubbele uitkering ontving ter waarde van €4.369,70 bruto. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) erkende haar fout en vorderde dit bedrag terug met een besluit van 28 oktober 2020. Appellante voerde aan dat er dringende redenen waren om geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering, onder meer vanwege haar psychosociale omstandigheden en het ontbreken van een besluit over het einde van de ZW-uitkering per 21 juni 2020.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het voor appellante redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zij te veel uitkering ontving. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak in hoger beroep. De Raad stelt dat het Uwv terecht het bedrag terugvordert en dat geen dringende redenen zijn om hiervan af te zien. Hoewel het Uwv een aandeel had in het ontstaan van de situatie, heeft het snel gehandeld, waardoor het bedrag beperkt bleef en de financiële gevolgen voor appellante beperkt zijn.
De Raad benadrukt dat appellante naliet het Uwv te informeren over de dubbele uitkering, terwijl het haar redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat zij te veel ontving. De psychosociale omstandigheden zijn onvoldoende onderbouwd om tot een andere conclusie te komen. Ook het argument dat appellante recht zou hebben gehad op toeslag of bijstand wordt verworpen. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €4.369,70 bruto wegens onterecht ontvangen ZW-uitkering naast een WW-uitkering.