ECLI:NL:CRVB:2025:208
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg
Appellant diende een aanvraag om bijstand in als alleenstaande, maar het college wees deze af omdat appellant en X een gezamenlijke huishouding voerden. Appellant stelde dat er geen sprake was van wederzijdse zorg, maar slechts eenrichtingsverkeer van X naar hem.
De Raad beoordeelde dat appellant geen eigen bankrekening had en gebruikmaakte van de bankrekening van X, die tevens zijn zorgverzekering betaalde. Dit duidt op financiële verstrengeling die verder gaat dan alleen het delen van woonlasten. Ondanks dat appellant twee overeenkomsten overlegde, kon hij niet aannemelijk maken dat er geen gezamenlijke huishouding was.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens schending van het motiveringsbeginsel, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Raad bevestigt deze beslissing en oordeelt dat appellant als gehuwd moet worden aangemerkt, waardoor hij geen zelfstandig recht op bijstand heeft. Het hoger beroep wordt afgewezen en appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant en X een gezamenlijke huishouding voeren met wederzijdse zorg.