ECLI:NL:CRVB:2025:205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herleving Wajong-uitkering na intrekking vóór 2016
Appellant ontving vanaf zijn achttiende een Wajong-uitkering die in 2002 werd beëindigd vanwege inkomsten uit werk. Hij vroeg later opnieuw een uitkering aan, maar het UWV weigerde deze toe te kennen omdat de herlevingstermijn van vijf jaar was verstreken. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het overgangsrecht in artikel 8:10d Wajong niet op appellant van toepassing is, omdat zijn uitkering vóór 2016 was beëindigd.
Appellant voerde aan dat hij door zijn inzet en het vermijden van sociale voorzieningen onrechtvaardig werd behandeld en dat artikel 8:10d buiten toepassing zou moeten blijven. De Raad overwoog dat dit artikel een dwingendrechtelijke bepaling is en dat toetsing aan het evenredigheidsbeginsel door de rechter beperkt is. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen.
De Raad bevestigt dat het doel van de wetswijziging was om belemmeringen voor jonggehandicapten die na 2016 hun uitkering verloren, weg te nemen. Voor personen zoals appellant, met een intrekking vóór 2016, blijft de herlevingstermijn van vijf jaar gelden. Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering tot hernieuwde toekenning van de Wajong-uitkering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering om appellant opnieuw een Wajong-uitkering toe te kennen.