ECLI:NL:CRVB:2025:1878
Centrale Raad van Beroep
- Proceskostenveroordeling
- Rechtspraak.nl
Toekenning toeslag op WIA-uitkering met terugwerkende kracht wegens bijzonder geval
Appellant heeft een toeslag op zijn WIA-uitkering aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf 15 augustus 2019, de datum waarop zijn WIA-uitkering begon. Het UWV kende de toeslag toe met terugwerkende kracht vanaf maximaal één jaar voor de aanvraagdatum, omdat volgens hen geen sprake was van een bijzonder geval.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de situatie van appellant geen bijzonder geval vormde en dat hij niet was gewezen op de toeslagmogelijkheid, maar dat dit geen grond was voor een ruimere terugwerkende kracht.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn ernstige psychiatrische problematiek hem verhinderde tijdig een toeslag aan te vragen. De Raad concludeerde dat appellant door zijn psychische en sociale problemen niet in staat was zelf een toeslag aan te vragen en dat het UWV hem niet op de toeslag heeft gewezen. De Raad oordeelde dat dit een bijzonder geval is in de zin van artikel 11, zevende lid, van de Toeslagenwet.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV en bepaalde dat de toeslag met terugwerkende kracht vanaf 15 augustus 2019 moet worden toegekend. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Deze uitspraak benadrukt het belang van maatwerk bij de toepassing van terugwerkende kracht in sociale zekerheidsuitkeringen, vooral bij aanvragers met ernstige psychische problematiek.
Uitkomst: Appellant krijgt de toeslag op zijn WIA-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 15 augustus 2019 toegekend.