Werknemer was sinds januari 2020 ziekgemeld met psychische klachten en vroeg in november 2021 een WIA-uitkering aan. Het UWV legde aan appellante een loonsanctie op wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen in spoor 2, omdat het traject beperkt bleef tot de voorbereidende fase zonder intensivering.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze loonsanctie ongegrond, stellende dat de re-integratie onvoldoende was en dat de bedrijfsarts onvoldoende gewicht had. Appellante stelde in hoger beroep dat het UWV ten onrechte de loonsanctie oplegde, omdat het deskundigenoordeel van de bedrijfsarts juist stelde dat werknemer niet belastbaar was voor arbeid maar wel voor werk voorbereidende stappen, en dat de belastbaarheid niet was gewijzigd.
De Raad oordeelde dat het UWV appellante ten onrechte een loonsanctie had opgelegd, omdat de re-integratie-inspanningen in lijn waren met het deskundigenoordeel en er geen medische wijziging was. De Raad vernietigde het besluit en kende schadevergoeding toe voor loon, werkgeverslasten, arbodienstkosten, begeleiding en mediation, alsmede proceskosten en griffierecht.
De uitspraak bevestigt dat werkgevers mogen afgaan op een deskundigenoordeel van een bedrijfsarts en dat het UWV een loonsanctie niet mag opleggen zonder deugdelijke grond, ook niet als het UWV een ander oordeel heeft. Dit versterkt de positie van werkgevers in re-integratieprocedures.