Appellant ontving sinds 2012 een WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een anonieme melding startte het UWV een onderzoek waaruit bleek dat appellant sinds 2017 als zelfstandige werkzaam was en inkomsten genoot uit twee bedrijven, waaronder een Sloveens transportbedrijf. Het UWV herzag de uitkering en vorderde een bedrag van ruim €47.000 terug.
Appellant voerde aan dat het UWV de inkomsten onjuist had berekend en dat er dringende redenen waren om terugvordering te matigen of achterwege te laten. Hij stelde dat niet de belastbare winst, maar de feitelijke cashflow als inkomen had moeten gelden en dat een deskundige benoemd had moeten worden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad vernietigde de uitspraak en oordeelde dat het UWV de berekening juist had gemaakt op basis van belastbare winst en dat de door appellant aangeleverde gegevens onvoldoende waren.
De Raad stelde dat appellant het UWV te laat en onjuist had geïnformeerd over zijn zelfstandige werkzaamheden, waardoor de terugvordering terecht was. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien, mede omdat appellant bewust de inlichtingenplicht had geschonden. Het beroep tegen het laatste besluit van het UWV werd ongegrond verklaard, maar de eerdere besluiten werden vernietigd. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten en moest het griffierecht vergoeden.