Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving een voorschot op zijn WIA-uitkering dat later lager werd vastgesteld vanwege loon tijdens ziekte. Het UWV vorderde het te veel betaalde voorschot van € 2.313,75 terug. Appellant voerde aan dat het UWV verantwoordelijk was voor de fout en dat terugvordering onevenredig was, met beroep op vertrouwens-, rechtszekerheids- en evenredigheidsbeginselen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht terugvordering toepaste, omdat appellant had moeten beseffen dat hij geen recht had op zowel loon tijdens ziekte als een volledige WIA-uitkering. De Raad volgde dit oordeel en stelde dat het UWV alle relevante feiten en omstandigheden had meegewogen bij de beoordeling van dringende redenen om van terugvordering af te zien.
Daarnaast werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn deels toegewezen. De totale procedure duurde ruim vier jaar, wat een overschrijding van vier maanden betekent. De Raad veroordeelde de Staat en het UWV gezamenlijk tot een immateriële schadevergoeding van € 500,-, verdeeld naar rato van de overschrijding in bestuurlijke en rechterlijke fase.
Het hoger beroep werd afgewezen, de terugvordering blijft in stand, en appellant krijgt geen vergoeding voor proceskosten, maar wel een schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: De terugvordering van € 2.313,75 aan onverschuldigd betaalde WIA-voorschotten wordt bevestigd, het hoger beroep wordt afgewezen en een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend.