Appellant, die onder bewind staat en een mentorschap heeft, vroeg bijzondere bijstand aan voor mentorkosten over 2019. Het college wees de aanvraag aanvankelijk af omdat het vond dat appellant voldoende draagkracht had, berekend op basis van 110% van de bijstandsnorm, zonder rekening te houden met het executoriaal beslag op zijn inkomen boven de beslagvrije voet.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar het college herzag later het besluit gedeeltelijk en kende bijzondere bijstand toe vanaf september 2019. Appellant ging in hoger beroep tegen deze beperkte toekenning en stelde dat de draagkrachtberekening onjuist was omdat de beslagvrije voet als bestaansminimum niet in aanmerking was genomen.
De Raad oordeelde dat het college het evenredigheidsbeginsel heeft geschonden door de beslagvrije voet niet als minimumbedrag te respecteren en daardoor de draagkracht te hoog vast te stellen. Dit leidde tot een onevenwichtige uitkomst waarbij appellant een deel van zijn bestaansminimum moest aanwenden voor mentorkosten.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en het nader besluit, verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat appellant over de periode van 1 januari tot 1 september 2019 bijzondere bijstand tot het volledige bedrag van € 235,55 per maand toekomt. Tevens werd appellant het betaalde griffierecht en proceskosten vergoed.