ECLI:NL:CRVB:2025:1654

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
18 november 2025
Zaaknummer
24/1423 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering van bijstand met verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van bijstand van appellant, die sinds 9 maart 1992 bijstand ontving op basis van de Wet werk en bijstand. De intrekking is gebaseerd op het feit dat appellant als bestuurder van een stichting feitelijk kon beschikken over vermogen en inkomsten van die stichting, wat hij niet had gemeld bij het college. De rechtbank Oost-Brabant had eerder het beroep van appellant tegen de intrekking ongegrond verklaard. Appellant stelde dat hij niet over de middelen van de stichting kon beschikken, maar de Raad oordeelde dat de stichting een schijnconstructie was, bedoeld om de bestuurders in staat te stellen over de middelen te beschikken zonder dat dit invloed had op hun recht op bijstand. De Raad heeft het hoger beroep van appellant in zoverre verworpen, maar heeft wel geoordeeld dat het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn terecht was. De Raad heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in deze procedure met meer dan acht jaar is overschreden en heeft het college veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 9.000,- aan appellant. Daarnaast zijn de proceskosten van appellant vergoed tot een bedrag van € 1.814,-.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 mei 2024, 23/1422 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van 's-Hertogenbosch (college)
Datum uitspraak: 4 november 2025

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak om een intrekking en terugvordering van bijstand en om een afgewezen verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Aan de intrekking en terugvordering ligt ten grondslag dat appellant feitelijk heeft kunnen beschikken over het in onroerende zaken gebonden vermogen van een stichting en over de kasstortingen op rekening van die stichting. Appellant voert aan dat hij daarover niet kon beschikken. Hij krijgt daarin geen gelijk. Wel krijgt hij gelijk in het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.L. Ross, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 september 2025. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken 20/4198 PW, 24/1424 PW en 24/1425 PW van de zoon van appellant. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ross. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Yesildag. In de zaken 20/4198 PW, 24/1424 PW en 24/1425 PW is vandaag afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant ontving sinds 9 maart 1992 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand.
1.2.
Medio 2009 zijn zowel bij de Belastingdienst als bij de politie signalen binnengekomen over de familie waarvan appellant deel uitmaakt. Deze signalen gingen over frauduleuze handelingen en ten onrechte ontvangen uitkeringen. Naar aanleiding van deze signalen heeft een grootschalig onderzoek plaatsgevonden, dat in eerste instantie werd verricht door de Belastingdienst en de politie. Zij hebben de onderzoeksgegevens uitgewisseld met de afdeling Sociale Recherche van de gemeente ’s-Hertogenbosch (sociale recherche). De sociale recherche heeft een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. Dit onderzoek zag onder meer op:
  • de (wijze van verkrijging van) twee onroerende zaken die in 2001 en 2009 op naam van de Stichting X (stichting) zijn gezet ˗ van welke stichting appellant en zijn zonen de bestuurders zijn ˗ welke onroerende zaken destijds door de stichting zijn aangekocht voor een bedrag van ƒ 1.250.000,-, respectievelijk € 345.000,-;
  • een door appellant op 26 mei 2011 ontvangen schadevergoeding van € 35.000,-;
  • kasstortingen op de bankrekening van de stichting in de periode van 1 januari 2008 tot en met 1 augustus 2011 tot een bedrag van € 379.354,76,-.
De bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche zijn neergelegd in rapporten van 26 juni 2012, 8 augustus 2012 en van 5 februari 2013.
1.3.
In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om met een besluit van 28 februari 2013 de bijstand van appellant met ingang van 1 januari 1996 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 maart 2012 tot een bedrag van € 174.983,26 van appellant terug te vorderen. Aan dat besluit ligt ten grondslag dat appellant heeft kunnen beschikken over vermogen en inkomsten, waarvan hij geen melding heeft gedaan bij het college. Appellant had daarom geen recht op bijstand.
1.4.
In de strafrechtelijke procedure heeft de rechtbank Oost-Brabant appellant met een vonnis van 18 januari 2016 veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden. [1] In het daartegen ingestelde hoger beroep heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (hof) appellant met een arrest van 10 december 2020, met parketnummer: [nummer], rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn, veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden. Appellant is veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen als natuurlijk persoon en als feitelijk leidinggever, het medeplegen van valsheid in geschrifte en het opzettelijk nalaten gegevens aan een uitkeringsinstantie te verstrekken. De Hoge Raad heeft met een arrest van 6 december 2022 het beroep in cassatie verworpen. [2]
1.5.
Met een besluit van 28 april 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 februari 2013 ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Ook heeft de rechtbank het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen. Het oordeel van de rechtbank komt er in de kern op neer dat de stichting een schijnconstructie is, bedoeld om de bestuurders van die stichting in staat te stellen om te kunnen beschikken over onroerende zaken op naam van de stichting en over de tegoeden op de rekening van de stichting. De rechtbank heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat aannemelijk is dat het college met instemming van appellant de uitkomst van de strafrechtelijke procedures heeft afgewacht.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Wat hij daartegen heeft aangevoerd wordt hierna besproken.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de intrekking en terugvordering van bijstand in stand heeft gelaten. Ook beoordeelt de Raad of de rechtbank terecht het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade heeft afgewezen. Hij doet dat aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep wat betreft het bestreden besluit niet slaagt. Het hoger beroep slaagt wel wat betreft het afgewezen verzoek om schadevergoeding. Daartoe wordt het volgende overwogen.
Intrekking en terugvordering
4.1.
De te beoordelen periode is de periode van 1 januari 1996, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 28 februari 2013, de datum van het besluit tot intrekking.
4.2.
Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode bestuurder was van de stichting en in die hoedanigheid volledig en zelfstandig kon beschikken over alle middelen van de stichting. In deze zaak gaat het er kort gezegd om of appellant in bijstandsrechtelijke zin over de middelen van de stichting kon beschikken. Het gaat er dan om of hij de mogelijkheid had om de middelen van de stichting feitelijk te gebruiken om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
4.3.
Appellant voert verkort weergegeven aan dat hij niet heeft kunnen beschikken over het vermogen en de kasstortingen op de rekening van de stichting. De rechtbank verwijst voor het oordeel dat sprake is van een schijnconstructie naar het arrest van het hof, maar gaat volgens appellant voorbij aan de omstandigheid dat de stichting rechtsgeldig is opgericht. Als er al van moet worden uitgegaan dat appellant over het vermogen van de stichting heeft kunnen beschikken, dan moet dit vermogen worden gedeeld door drie, omdat de stichting drie bestuurders had. Bovendien staat tegenover het positieve vermogen van de stichting een schuld aan de Roma-gemeenschap. Deze gronden slagen niet. Daartoe is het volgende van belang.
4.3.1.
Anders dan appellant stelt, is de rechtbank niet voorbijgegaan aan de omstandigheid dat de stichting destijds rechtsgeldig is opgericht. Dat volgt niet uit de aangevallen uitspraak. Dat de stichting rechtsgeldig is opgericht, is ook niet in geschil. De rechtbank heeft – in navolging van het hof – geoordeeld dat de stichting een schijnconstructie is, bedoeld om de bestuurders in staat te stellen zelf te beschikken over de middelen van de stichting. Dat de stichting is opgericht met de bedoeling om zelf over de middelen van die stichting te beschikken volgt niet alleen uit het zeer uitgebreide arrest van het hof van 138 pagina’s, maar vindt ook steun in de verklaring van de zoon van appellant tijdens de zitting van de Raad. De verklaring van de zoon komt erop neer dat bekend was dat je als bijstandsgerechtigde geen woning op naam mag hebben. Met de stichting is gezocht naar een oplossing, vanuit de wens dat het vermogen niet in de weg zou staan aan bijstand terwijl toch over de woningen kon worden beschikt.
4.3.2.
Omdat de stichting is opgericht met als doel om de betrokkenen te laten beschikken over de middelen van de stichting en appellant als bestuurder van de stichting ook daadwerkelijk over alle middelen van de stichting kon beschikken, moeten het vermogen en de inkomsten van de stichting worden aangemerkt als vermogen en inkomsten waarover appellant beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken.
4.3.3.
Geen aanleiding bestaat om het vermogen waarover appellant kon beschikken door drie te delen. Alle drie de bestuurders waren volledig en zelfstandig bevoegd om over het geheel van de middelen van de stichting te beschikken. Ook bestaat er geen aanleiding om ervan uit te gaan dat tegenover het positieve vermogen een schuld aan de Romagemeenschap staat. Daarvoor ontbreekt een onderbouwing. Appellant heeft ter zitting gewezen op het rapport van deskundige X, die bepaalde gebruiken en gewoontes in de Roma-gemeenschap omschrijft, maar dit rapport biedt geen aanknopingspunt voor een concrete schuld van appellant aan de Roma-gemeenschap.
Afwijzing verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade
5. Appellant voert aan dat de rechtbank de schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn had moeten toewijzen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen blijkt niet van een verzoek om de strafrechtelijke procedures af te wachten. Er is dan ook geen reden bij de beoordeling van de vraag of sprake is van overschrijding van de redelijke termijn enige periode buiten beschouwing te laten. Deze grond slaagt. Daartoe is het volgende van belang.
5.1.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. [3] De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. [4]
5.2.
In het voorliggende geval geldt dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door het college op 25 maart 2013 tot aan de uitspraak op het hoger beroep, ruim twaalf jaar en zeven maanden zijn verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellant zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Het college stelt weliswaar dat er mondeling is overeengekomen dat de uitkomst van de strafzaak zou worden afgewacht, maar voor dit standpunt van het college ontbreekt in de stukken ieder aanknopingspunt. Dat in andere zaken van de betrokkenen verzoeken om aanhouding zijn gedaan, maakt niet dat in deze zaak aannemelijk is geworden dat daarom door appellant is verzocht en/of dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het afwachten van de strafzaak.
5.3.
De redelijke termijn is gelet op 5.2 tot aan de dag van deze uitspraak met ruim acht jaar en zeven maanden overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de bestuurlijke fase. Aan appellant zal daarom een schadevergoeding van € 9.000,- worden toegekend, te betalen door het college.

Conclusie en gevolgen

5.4.
Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak wordt vernietigd voor zover het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. Het college wordt alsnog veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De intrekking en de terugvordering van bijstand blijven in stand.
6. Omdat het hoger beroep slaagt krijgt appellant een vergoeding voor de proceskosten die hij in de verzoekschriftenprocedure bij de rechtbank en in hoger beroep heeft gemaakt. Deze kosten worden begroot op ‬€ 907,- in de verzoekschriftenprocedure en op € 907,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het verzoek- en hoger beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een wegingsfactor 0,5 en een waarde per punt van € 907,-), in totaal € 1.814,-. Daarnaast zal de griffier van de Raad het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht aan hem terugbetalen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade is afgewezen;
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • veroordeelt het college tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 9.000,-;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.814,-;
  • bepaalt dat de griffier van de Raad het door appellant in hoger beroep betaalde griffierecht tot een bedrag van € 138,- aan hem terugbetaalt.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en P.W. van Straalen en E.C.E. Marechal als leden, in tegenwoordigheid van H.Z. Şipal als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2025.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

De griffier is verhinderd te ondertekenen

Voetnoten

3.Zie onder meer de uitspraak van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.
4.Idem.