In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van bijstand van appellant, die sinds 9 maart 1992 bijstand ontving op basis van de Wet werk en bijstand. De intrekking is gebaseerd op het feit dat appellant als bestuurder van een stichting feitelijk kon beschikken over vermogen en inkomsten van die stichting, wat hij niet had gemeld bij het college. De rechtbank Oost-Brabant had eerder het beroep van appellant tegen de intrekking ongegrond verklaard. Appellant stelde dat hij niet over de middelen van de stichting kon beschikken, maar de Raad oordeelde dat de stichting een schijnconstructie was, bedoeld om de bestuurders in staat te stellen over de middelen te beschikken zonder dat dit invloed had op hun recht op bijstand. De Raad heeft het hoger beroep van appellant in zoverre verworpen, maar heeft wel geoordeeld dat het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn terecht was. De Raad heeft vastgesteld dat de redelijke termijn in deze procedure met meer dan acht jaar is overschreden en heeft het college veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 9.000,- aan appellant. Daarnaast zijn de proceskosten van appellant vergoed tot een bedrag van € 1.814,-.