ECLI:NL:CRVB:2025:1633
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk bij beëindiging ZW-uitkering en afwijzing immateriële schadevergoeding
Appellante meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en ontving een ZW-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 28 oktober 2019, maar stelde dit besluit later bij een nieuw besluit van 26 februari 2024 ongedaan, waardoor appellante onveranderd recht op de uitkering heeft.
Appellante vorderde in hoger beroep immateriële schadevergoeding wegens aantasting in haar persoon, omdat zij niet tijdig door een geregistreerd verzekeringsarts was onderzocht en zij financieel afhankelijk was geworden van haar echtgenoot. Daarnaast verzocht zij om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn en proceskosten.
De Raad oordeelde dat het gewijzigde besluit van het UWV volledig tegemoetkomt aan de bezwaren en dat appellante geen belang meer heeft bij het hoger beroep, waardoor dit niet-ontvankelijk wordt verklaard. De Raad wees het verzoek tot immateriële schadevergoeding af, omdat de normschending niet ernstig genoeg was en concrete onderbouwing ontbrak.
Wel werd een vergoeding van €500 toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn, die grotendeels in de rechterlijke fase lag. Daarnaast werden proceskosten van in totaal €6.653,- toegewezen aan appellante, waaronder kosten van deskundigen en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen; vergoeding wegens overschrijding redelijke termijn en proceskosten toegewezen.