Appellant ontving sinds 2010 een WIA-uitkering. In 2021 ontdekte de politie een hennepkwekerij op zijn adres, waarna het UWV de uitkering herzag en een bedrag van €9.665,48 terugvorderde, gebaseerd op een politie-schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Appellant voerde aan dat hij onder druk was gezet en geen inkomsten had genoten. De rechtbank Limburg verklaarde het beroep ongegrond, maar stelde later in een strafrechtelijke ontnemingsprocedure het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op nihil. Appellant bracht deze uitspraak in hoger beroep.
De Centrale Raad van Beroep volgt appellant en oordeelt dat het UWV geen grond heeft om de uitkering te herzien en terug te vorderen, omdat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet is aangetoond. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de eerdere besluiten worden vernietigd en appellant krijgt een vergoeding voor proceskosten.