ECLI:NL:CRVB:2025:1177
Centrale Raad van Beroep
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs lening en geen bijzondere omstandigheden voor terugwerkende kracht
Appellante verzocht om bijstand met terugwerkende kracht vanaf 29 juni 2022 en voerde aan dat zij geen vermogen boven het vrij te laten bedrag had vanwege een schuld aan haar broer van €26.485,- die zij in 2017 als lening had ontvangen. De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat deze schuld een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting inhield. Er ontbrak een schriftelijke leningsovereenkomst en objectief bewijs, terwijl verklaringen van familieleden niet overtuigend waren.
Verder stelde appellante dat bijzondere omstandigheden bestonden voor het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht, onder meer omdat een medewerker van de gemeente haar zou hebben afgehouden van het indienen van een nieuwe aanvraag. De Raad vond geen aanknopingspunten voor deze stelling en bevestigde de vaste rechtspraak dat bijstand in principe niet met terugwerkende kracht wordt toegekend zonder bijzondere omstandigheden.
De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam en handhaafde de afwijzing van de aanvraag en de ingangsdatum van de bijstand per 10 augustus 2022. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen en de bijstand wordt toegekend met ingang van 10 augustus 2022 zonder terugwerkende kracht.