Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2025:1177

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
6 augustus 2025
Zaaknummer
23/2286 PW-PV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs lening en geen bijzondere omstandigheden voor terugwerkende kracht

Appellante verzocht om bijstand met terugwerkende kracht vanaf 29 juni 2022 en voerde aan dat zij geen vermogen boven het vrij te laten bedrag had vanwege een schuld aan haar broer van €26.485,- die zij in 2017 als lening had ontvangen. De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat deze schuld een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting inhield. Er ontbrak een schriftelijke leningsovereenkomst en objectief bewijs, terwijl verklaringen van familieleden niet overtuigend waren.

Verder stelde appellante dat bijzondere omstandigheden bestonden voor het toekennen van bijstand met terugwerkende kracht, onder meer omdat een medewerker van de gemeente haar zou hebben afgehouden van het indienen van een nieuwe aanvraag. De Raad vond geen aanknopingspunten voor deze stelling en bevestigde de vaste rechtspraak dat bijstand in principe niet met terugwerkende kracht wordt toegekend zonder bijzondere omstandigheden.

De Raad bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Rotterdam en handhaafde de afwijzing van de aanvraag en de ingangsdatum van de bijstand per 10 augustus 2022. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen en de bijstand wordt toegekend met ingang van 10 augustus 2022 zonder terugwerkende kracht.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 26 juni 2023, 22/6011 (aangevallen uitspraak 1) en 21 december 2023, 23/5525 (aangevallen uitspraak 2)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het College van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Voorne aan Zee (college)
Datum uitspraak: 29 juli 2025
Zitting heeft: P.W. van Straalen
Griffier: H.Z. Şipal
Met ingang van 1 januari 2023 is het college door een gemeentelijke herindeling rechtsopvolger geworden van het college van burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis. Met het college wordt in deze uitspraak dus ook dat college bedoeld.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 29 juli 2025. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G.A.S. Maduro, advocaat. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door T.O. Post. Ter zitting zijn [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen gehoord.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
1. Het gaat enerzijds om een afwijzing van een aanvraag om bijstand ingevolge de Participatiewet. Anderzijds gaat het om de toekenning van bijstand met ingang van de datum melding, zijnde 10 augustus 2022, en daarmee de afwijzing van bijstand per een vóór de datum melding gelegen tijdstip. Het college heeft aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat appellante beschikte over een vermogen boven het voor haar geldende vrij te laten vermogen. Het college heeft aan de afwijzing van de terugwerkende kracht ten grondslag gelegd dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.
2. De rechtbank heeft met de aangevallen uitspraken de beroepen van appellante ongegrond verklaard.
Aangevallen uitspraak 1 (afwijzing aanvraag)
3. De Raad stelt vast dat totale banksaldi op de op naam van appellante gestelde bankrekeningen ten tijde van de aanvraag € 33.278,63 bedroegen.
4.1.
Het hoger beroep komt er in deze zaak op neer dat appellante geen vermogen had boven het voor haar geldende vrij te laten vermogen, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met een schuld van € 26.485,- aan haar broer. Appellante heeft dat bedrag in 2017 bij wijze van geldlening van haar broer ontvangen. Het was de bedoeling om dat bedrag te gebruiken voor de aanschaf van een woning. Deze beroepsgrond slaagt niet en daartoe is het volgende van belang.
4.1.2.
De rechtbank heeft terecht gewezen op vaste rechtspraak dat schulden in het kader van de toepassing van de bijstandswetgeving bij de vaststelling van het vermogen van de betrokkene in aanmerking kunnen worden genomen. Het is aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat de schulden bestaan, dat zij tijdens de bijstand (eventueel in termijnen) opeisbaar zijn en dat de schuldeiser de betalingsverplichting daadwerkelijk afdwingt. Een schuld aan een familielid is in beginsel te beschouwen als een schuld van vrijblijvende aard. Maar de betrokkene heeft de mogelijkheid aannemelijk te maken dat een daadwerkelijke verplichting tot terugbetaling bestaat. De betrokkene moet dat doen met gegevens die concreet, objectief en verifieerbaar zijn. [1]
4.1.3.
Appellante is in deze bewijslast niet geslaagd. Uit de stukken blijkt weliswaar dat de broer appellante met een e-mailbericht van 9 maart 2022 heeft bericht dat hij in verband met financiële problemen het in 2017 aan appellante geleende bedrag van € 26.485,- terug wil ontvangen en ook dat appelante op 6 juni 2022 en 28 juni 2022 een groot deel van dat bedrag naar haar broer heeft overgeschreven, maar daarmee is niet aannemelijk geworden dat in 2017 sprake was van een geldlening. Een in 2017 opgemaakte overeenkomst tot geldlening ontbreekt en ook in de omschrijving bij het bijgeschreven bedrag op het bankafschrift uit 2017 staat niet vermeld dat het om een lening gaat. Voor het standpunt dat appellante het bedrag als lening heeft ontvangen, bestaat geen objectief bewijs. Ook met de verklaringen zoals appellante die heeft overgelegd en zoals die ter zitting door de broer en de zus van appellante zijn afgelegd, is niet aannemelijk geworden dat een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting bestond. De broer en de zus hebben verklaard dat het bedrag destijds met een bepaald doel is geleend, maar niet aannemelijk is geworden dat destijds is gesproken over een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting. Het tegendeel volgt uit de verklaring van de broer ter zitting. Hij heeft verklaard dat hierover niet is gesproken. Nu bij het aangaan van de lening niet is gesproken over de termijn en de modaliteiten van terugbetaling, is geen sprake van een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting.
Aangevallen uitspraak 2 (ingangsdatum toekenning bijstand)
4.2.
Het hoger beroep in de tweede zaak richt zich tegen de ingangsdatum van de toegekende bijstand. Appellante wenst bijstand met ingang van 29 juni 2022 te ontvangen.
4.2.1.
In beginsel wordt geen bijstand verleend over een periode voorafgaand aan de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld of een aanvraag om bijstand heeft ingediend, tenzij bijzondere omstandigheden een afwijking van dit uitgangspunt rechtvaardigen. Zoals vaker overwogen [2] kunnen zulke omstandigheden zich voordoen als het de betrokkene niet kan worden verweten dat hij zich niet eerder heeft gemeld om bijstand aan te vragen of niet eerder een aanvraag om bijstand heeft ingediend. Dit kan het geval zijn als de betrokkene niet in staat was om zich eerder te melden om bijstand aan te vragen of om eerder bijstand aan te vragen, of als de betrokkene daarvan is afgehouden door de bijstandverlenende instantie. Het is aan betrokkene om aannemelijk te maken dat sprake is van bijzondere omstandigheden. [3]
4.2.2.
Appellante voert aan dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn omdat zij op 29 juni 2022 bijstandbehoevend was en omdat een medewerker van de gemeente appellante had medegedeeld dat indiening van een nieuwe aanvraag niet succesvol zou zijn. Ook deze beroepsgrond slaagt niet.
4.2.3.
Het verkeren in bijstandbehoevende omstandigheden is niet een bijzondere omstandigheid op grond waarvan bijstandsverlening met terugwerkende kracht gerechtvaardigd is. Dat is vaste rechtspraak. [4] Voor het standpunt dat appellante door een medewerker van de gemeente is afgehouden van het indienen van een nieuwe aanvraag, zijn in het dossier geen aanknopingspunten te vinden.
5. De hoger beroepen slagen dus niet. Dit betekent dat de afwijzing van de aanvraag en toekenning van bijstand met ingang van 10 augustus 2022 in stand blijven. Het betekent ook dat appellante geen vergoeding krijgt voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht niet terugkrijgt.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) H.Z. Şipal (getekend) P.W. van Straalen

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld uitspraken van 23 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6792 en van 3 september 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1793.
2.Zie uitspraak van 31 augustus 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2172.
3.Zie uitspraak van 21 september 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2348.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 24 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:772.