ECLI:NL:CRVB:2025:1160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding met ex-echtgenoot
Appellante ontving bijstand als alleenstaande met toepassing van de kostendelersnorm. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de gemeente Rotterdam een onderzoek naar haar woonsituatie. Uit verklaringen van appellante, haar ex-echtgenoot (X) en hun zoon bleek dat X vanaf 30 september 2021 continu op het uitkeringsadres verbleef, wat duidt op een gezamenlijke huishouding.
Het college trok daarom de bijstand met ingang van die datum in en vorderde de kosten terug. Appellante voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat zij en X geen gezamenlijke huishouding voerden. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.
De Raad oordeelde dat de verklaringen van appellante en X consistent en concreet waren, en dat de ongedateerde verklaringen van familie en buurtbewoners onvoldoende waren om het tegendeel te bewijzen. Ook was geen sprake van onzorgvuldig onderzoek door het college, aangezien een huisbezoek niet noodzakelijk was en het onderzoek naar een vermeende samenwoning van X met een derde persoon (Z) niet relevant was.
De Raad concludeerde dat appellante de inlichtingenverplichting heeft geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding, waardoor de intrekking en terugvordering van de bijstand terecht zijn. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstand wegens gezamenlijke huishouding met ex-echtgenoot worden bevestigd.