ECLI:NL:CRVB:2025:1137
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing studiefinanciering wegens verlies migrerend werknemerschap na werkloosheid
Appellante, een EU-burger zonder Nederlandse nationaliteit, werkte als student-assistent en had recht op studiefinanciering zolang zij de status van migrerend werknemer bezat. Na het beëindigen van haar tijdelijke arbeidsovereenkomst op 29 maart 2021 werd zij onvrijwillig werkloos. De minister weigerde studiefinanciering toe te kennen voor de periode april tot en met september 2021 omdat appellante zich niet tijdig inschreef als werkzoekende bij het UWV en daardoor haar status van migrerend werknemer verloor.
De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond voor de periodes januari tot maart en oktober tot december 2021, maar handhaafde de afwijzing voor april tot september 2021. Appellante stelde in hoger beroep dat zij haar status had behouden op grond van Richtlijn 2004/38, mede gezien arresten van het Hof van Justitie die een redelijke termijn voor inschrijving toestaan. De minister betoogde dat appellante niet tijdig was ingeschreven en niet aannemelijk had gemaakt daadwerkelijk werkzoekende te zijn.
De Raad oordeelde dat de minister terecht uitgaat van het verlies van de status van migrerend werknemer bij onvrijwillige werkloosheid zonder tijdige inschrijving als werkzoekende of bewijs van daadwerkelijke beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. De inschrijving op 15 mei 2021 was te laat en appellante had geen bewijs van sollicitatieactiviteiten overgelegd. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees de vordering van appellante af.
Uitkomst: Appellante behoudt haar status van migrerend werknemer niet na onvrijwillige werkloosheid en heeft geen recht op studiefinanciering van april tot en met september 2021.