Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het oordeel van de Raad
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante diende een aanvraag in voor de NOW-1 loonkostensubsidie voor maart tot en met mei 2020. De minister verleende een voorschot, maar stelde later de subsidie vast op nihil vanwege een gedaalde loonsom in de subsidieperiode ten opzichte van de referentiemaand januari 2020. Appellante voerde aan dat de belangenafweging onvoldoende rekening hield met haar situatie en dat de uitkomst onevenredig was.
De rechtbank stelde vast dat de minister een discretionaire bevoegdheid had om de subsidie lager vast te stellen, maar dat de belangenafweging aanvankelijk ontbrak. Na een tussenuitspraak verrichtte de minister alsnog een belangenafweging, die de rechtbank niet voldoende achtte. Uiteindelijk vernietigde de rechtbank het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat appellante onvoldoende concrete feiten had aangevoerd om onredelijkheid aan te tonen.
In hoger beroep bevestigt de Raad dat de minister de subsidie correct heeft vastgesteld volgens de wettelijke bepalingen van de NOW-1 en de Awb. De Raad benadrukt het doel van de NOW-regeling: behoud van werkgelegenheid, en dat de gekozen berekeningswijze werkgevers stimuleert de loonsom gelijk te houden. De nadelige gevolgen voor appellante zijn niet onredelijk bezwarend, ook niet gezien haar bijzondere situatie met seizoenarbeiders.
De terugvordering van het voorschot is eveneens gegrond omdat het voorschot ten onrechte is verstrekt. Appellante heeft geen omstandigheden aangevoerd die de onevenredigheid van de terugvordering aantonen. Het beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De vaststelling van de NOW-1 subsidie op nihil en de terugvordering van het voorschot worden bevestigd; het beroep wordt verworpen.