ECLI:NL:CRVB:2025:1013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenplicht en handel in harddrugs
Appellant ontving bijstand en stelde zijn woning beschikbaar aan derden voor de productie en handel in harddrugs, waarvoor hij vergoedingen ontving. Hij meldde dit niet aan het college, waarmee hij de inlichtingenverplichting schond. Tevens was appellant in detentie, waardoor hij in die periode geen recht had op bijstand.
Het college trok de bijstand over de periode van maart tot juli 2020 in, vorderde de kosten terug en legde een boete op. Appellant voerde aan dat hij door zijn verslaving en bedreiging door derden niet kon melden, waardoor sprake zou zijn van psychische overmacht en dringende redenen om af te zien van terugvordering en boete.
De Raad oordeelde dat de inlichtingenverplichting een geobjectiveerde verplichting is, waarbij verwijtbaarheid niet relevant is. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij recht had op bijstand indien hij wel had gemeld. Ook was er geen dringende reden om van terugvordering af te zien. De boete was proportioneel en matiging niet op zijn plaats. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand, terugvordering en boete worden bevestigd.