Appellant was eigenaar van een eenmanszaak en ontving bijstand op grond van de Tozo-regeling tijdens de coronacrisis. Hij diende tevens een aanvraag in voor bijstand als beëindigend zelfstandige op grond van het Bbz 2004. Het college wees deze aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij zich ten tijde van de aanvraag had verplicht zijn bedrijfsactiviteiten binnen twaalf maanden te beëindigen.
De Raad oordeelt dat deze afwijzing terecht is, omdat de verplichting tot beëindiging pas ontstond na een ultimatum van een maatschappelijke organisatie in maart 2021, ruim na de aanvraagdatum. Ten aanzien van de intrekking van de Tozo-uitkering over de periode 1 april 2020 tot 22 april 2021 stelt de Raad vast dat het college bevoegd was tot intrekking, maar onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de belangen van appellant en geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt.
De Raad vernietigt daarom het besluit tot intrekking van de Tozo-uitkering en draagt het college op om opnieuw te beslissen met inachtneming van een evenwichtige belangenafweging. Het hoger beroep tegen de afwijzing van de Bbz-aanvraag wordt verworpen. Tevens wordt appellant in de proceskosten van het hoger beroep in de Tozo-zaak tegemoetgekomen.