ECLI:NL:CRVB:2024:831
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens benadelingshandeling door verwijtbare werkloosheid
Appellante was werkzaam bij een werkgever en werd op staande voet ontslagen wegens ernstig verwijtbaar handelen, namelijk het benaderen van een klant van haar werkgever met het aanbod om diens administratie over te nemen. Dit werd door de kantonrechter bevestigd op basis van getuigenverklaringen. Het UWV weigerde daarop haar Ziektewet-uitkering met ingang van 29 november 2021, omdat zij verwijtbaar werkloos was geworden en daarmee een benadelingshandeling had gepleegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze weigering ongegrond en stelde het besluit van het UWV in stand. Appellante stelde in hoger beroep dat zij geen benadelingshandeling had gepleegd, dat het ontslag onterecht en nietig was, en dat er sprake was van een fictief dienstverband. Zij voerde ook aan dat getuigen valse verklaringen hadden afgelegd en vroeg om schadevergoeding.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank de beroepsgronden uitvoerig en gemotiveerd had beoordeeld en dat er geen nieuwe feiten of bewijs waren die het oordeel konden wijzigen. De audiobestanden en stellingen van appellante boden geen aanknopingspunten om het standpunt van het UWV te weerleggen. Het hoger beroep werd verworpen, de weigering van de ZW-uitkering bleef in stand en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de ZW-uitkering wegens benadelingshandeling en wijst het verzoek om schadevergoeding af.