Uitspraak
SAMENVATTING
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, een melkvee- en vleesveehouder die sinds 2000 gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, had eerder een kniklader vergoed gekregen op grond van de Wet Rea. Na het vervallen van deze wet en de invoering van de Wet IWIA, vroeg appellant in 2019 een nieuwe kniklader aan. Het UWV wees dit af omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden voor vergoeding onder de Wet WIA en het overgangsrecht van de Wet IWIA geen nieuwe aanspraken op de Wet Rea toestaat.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de weigering niet in strijd was met het evenredigheidsbeginsel, het VN-Gehandicaptenverdrag of de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte. Appellant stelde in hoger beroep dat de voorziening een voortzetting was van een bestaande aanspraak en dat het overgangsrecht van toepassing was, maar de Raad volgde dit niet.
De Centrale Raad van Beroep overwoog uitgebreid dat het overgangsrecht van artikel 2.3 van de Wet IWIA alleen van toepassing is zolang het instrument in dezelfde vorm wordt verstrekt en dat een nieuwe kniklader een nieuwe voorziening is, geen voortzetting. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel en het VN-Verdrag werd verworpen. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af, waardoor de weigering van de voorziening in stand blijft.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant een nieuwe kniklader te verstrekken op grond van het overgangsrecht Wet IWIA.