In deze zaak is appellante in hoger beroep gegaan tegen de weigering van het UWV om een WIA-uitkering toe te kennen. De Centrale Raad van Beroep heeft in een tussenuitspraak vastgesteld dat het oorspronkelijke besluit een motiveringsgebrek vertoonde, met name omtrent de geschiktheid van gehoorbescherming voor appellante in haar functie als inpakker.
Het UWV heeft vervolgens aanvullende rapporten van een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige ingebracht, waarin is onderbouwd dat gehoorbescherming een geschikt middel is en dat het dragen ervan de tinnitusklachten van appellante niet zal verergeren. Appellante betwistte dit met een brief van haar psychiater, die stelde dat het wegfilteren van omgevingsgeluid de tinnitus juist kan verergeren.
De Raad heeft echter geoordeeld dat de rapporten van het UWV voldoende inzichtelijk en deugdelijk zijn en dat de zienswijze van appellante onvoldoende gewicht heeft om het tegendeel aannemelijk te maken. Het bestreden besluit is daarmee na de tussenuitspraak adequaat gemotiveerd. De rechtbank had het beroep gegrond verklaard maar het besluit vernietigd met instandhouding van de rechtsgevolgen. De Raad bevestigt deze uitspraak en handhaaft de weigering van de WIA-uitkering.
Daarnaast veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante, waaronder de kosten van medische rapporten en het griffierecht, tot een totaalbedrag van € 4.430,86.