ECLI:NL:CRVB:2024:2233
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering toekenning WW-uitkering langere duur wegens ontbreken privaatrechtelijke dienstbetrekking
Appellante was werkzaam als postbezorger voor een bedrijf in 2015 en 2016 en vorderde een WW-uitkering met een langere duur dan drie maanden. Het UWV weigerde dit omdat appellante niet voldeed aan de jareneis, aangezien zij geen werknemer was in de zin van artikel 3 van Pro de WW. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het besluit in stand.
In hoger beroep stelde appellante dat zij wel een dienstbetrekking had en verwees zij naar jaaropgaven en IB 47-opgaven. De Raad beoordeelde dit aan de hand van de Haviltex-maatstaf en concludeerde dat appellante onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat sprake was van een gezagsverhouding of persoonlijke verplichting tot arbeid. De vrijheid bij het indelen van werktijden en het inschakelen van derden sprak tegen een dienstbetrekking.
Ook de gelijkstelling op grond van artikel 5 WW Pro en het Besluit werd verworpen omdat appellante niet voldeed aan het inkomenseis van minimaal 40% van het minimumloon per week. De Raad bevestigde het bestreden besluit en veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV tot weigering van een WW-uitkering met langere duur blijft in stand.