Appellante, werkzaam bij de Belastingdienst, maakte bezwaar tegen de afschrijving van vakantie-uren over 2017 en 2018 tijdens haar ziekteperiode. De staatssecretaris weigerde terug te komen op in rechte vaststaande besluiten tot afschrijving, waarna de rechtbank het beroep ongegrond verklaarde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het bezwaar ten onrechte als verzoek om herroeping is opgevat en dat de staatssecretaris had moeten beslissen op het bezwaar over de uitbetaling van vakantie-uren. Inhoudelijk is vastgesteld dat de afschrijving terecht was op basis van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, ook zonder uitzondering voor het ontbreken van re-integratiemogelijkheden.
Verder is vastgesteld dat de bestuursprocedure ruim tien maanden langer duurde dan de redelijke termijn, waarvoor de staatssecretaris een immateriële schadevergoeding van €1.000,- moet betalen. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit voor zover het naliet te beslissen over het bezwaar, en verklaart het bezwaar uiteindelijk ongegrond.