Uitspraak
SAMENVATTING
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
Het standpunt van het Uwv
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
(…)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante was vanaf mei 2021 werkzaam voor een bedrijf opgericht door haar vader, op basis van een arbeidsovereenkomst als directrice. Na beëindiging van deze overeenkomst vroeg zij een WW-uitkering aan, die werd toegekend en later ingetrokken na onderzoek naar een vermoedelijk gefingeerd dienstverband.
Het Uwv stelde vast dat appellante geen werknemer was omdat er geen sprake was van een gezagsverhouding. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde vast dat het bedrijf bestuursloos was en appellante en haar collega’s op basis van gelijkheid samenwerkten zonder formeel werkgeversgezag.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij gelijk werd behandeld als werknemers en dat sprake was van een dienstbetrekking. De Raad oordeelde dat het Uwv voldoende aannemelijk had gemaakt dat geen gezagsverhouding bestond, mede op basis van verklaringen van appellante zelf en collega’s. Appellante kon dit niet met objectief tegenbewijs weerleggen.
De Raad bevestigde daarmee de intrekking en terugvordering van de WW-uitkering. Appellante kreeg geen vergoeding voor proceskosten. De uitspraak sluit aan bij vaste rechtspraak over de definitie van arbeidsovereenkomst en gezagsverhouding.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de WW-uitkering worden bevestigd omdat geen gezagsverhouding bestond.