Uitspraak
betreft en stelt het over de periode van 1 juli 2019 tot en met 31 januari 2022 terug te
vorderen bedrag vast op € 4.900,-;
6 juli 2022;
van in totaal € 186,- vergoedt.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving een toeslag op haar WIA-uitkering die het Uwv introk en terugvorderde omdat zij niet had gemeld dat haar ex-partner inkomsten had. De toeslag werd over de periode 1 juli 2019 tot 31 januari 2022 teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad vernietigt dit deels en stelt het terug te vorderen bedrag vast op €4.900,-.
De Raad oordeelt dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden door de inkomsten van haar ex-partner niet door te geven, ondanks haar beroep op mentale problemen en begeleiding. Het Uwv was niet verplicht om zelfstandig inkomensgegevens van de ex-partner te controleren. De schending van de inlichtingenplicht is een objectieve verplichting zonder verwijtbaarheid.
De Raad weegt de persoonlijke omstandigheden van appellante mee en erkent dat het Uwv de terugvordering heeft gehalveerd vanwege de financiële situatie en het ontbreken van opzet. Er zijn geen dringende redenen om geheel van terugvordering af te zien. De Raad veroordeelt het Uwv in de proceskosten en bepaalt dat het griffierecht wordt terugbetaald.
Uitkomst: De terugvordering van de toeslag wordt vastgesteld op €4.900,- en het beroep van appellante wordt deels gegrond verklaard.