ECLI:NL:CRVB:2024:2109
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering WIA-uitkering wegens detentie zonder dringende reden af te zien
Appellant ontving sinds 2010 een WIA-uitkering. Het UWV ontving een detentiemelding dat appellant vanaf 29 december 2020 gedetineerd was en trok de uitkering per 29 januari 2021 in. Later werd de onverschuldigd betaalde uitkering over januari-februari 2021 teruggevorderd.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij onterecht was gedetineerd en dat het UWV van terugvordering had moeten afzien vanwege dringende redenen, waaronder financiële en psychische gevolgen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV terecht terugvorderde, waarbij het ontbreken van een hoorzitting een gebrek vormde dat niet tot nadeel leidde.
In hoger beroep handhaaft de Centrale Raad dit oordeel. De detentie is niet onrechtmatig verklaard en het terugvorderingsbesluit is reparatoir, niet sanctionerend. Het UWV heeft rekening gehouden met de financiële situatie via een betalingsregeling. Appellant heeft geen medische onderbouwing geleverd voor vermeende toename van psychische klachten. Het hoger beroep wordt afgewezen en de terugvordering blijft in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de WIA-uitkering wegens detentie en wijst het hoger beroep af.