ECLI:NL:CRVB:2024:168

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 januari 2024
Publicatiedatum
31 januari 2024
Zaaknummer
22/957 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning van WW-uitkering en verwijtbare werkloosheid in het kader van beëindiging arbeidsovereenkomst

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 31 januari 2024 uitspraak gedaan in hoger beroep over de toekenning van een WW-uitkering aan betrokkene, die per 1 oktober 2019 in dienst was bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorne aan Zee. De arbeidsovereenkomst eindigde op 30 september 2020, nadat betrokkene had aangegeven deze niet te willen verlengen. Appellant, het college, stelde dat betrokkene verwijtbaar werkloos was omdat hij zelf had verzocht om de arbeidsovereenkomst niet te verlengen, en dat het UWV onterecht een WW-uitkering had toegekend. De Raad oordeelde echter dat de arbeid die betrokkene verrichtte niet passend was en dat voortzetting van de dienstbetrekking in redelijkheid niet van hem kon worden gevergd. De rechtbank had eerder het beroep van appellant ongegrond verklaard en het UWV in het gelijk gesteld. De Raad bevestigde deze uitspraak, waarbij werd opgemerkt dat de omstandigheden waaronder betrokkene zijn dienstverband niet wilde voortzetten, zoals de benodigde opleiding en de reistijd, niet redelijkerwijs van hem konden worden gevergd. De Raad concludeerde dat er geen sprake was van verwijtbare werkloosheid en dat de WW-uitkering terecht was toegekend en uitbetaald.

Uitspraak

22/957 WW
Datum uitspraak: 31 januari 2024
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 18 februari 2022, 21/1516 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorne aan Zee (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

SAMENVATTING

Volgens appellant is betrokkene verwijtbaar werkloos omdat de arbeidsovereenkomst op verzoek van betrokkene zelf niet is verlengd. Betrokkene heeft daarmee door eigen toedoen geen passende arbeid behouden. Het Uwv heeft volgens appellant dan ook onterecht een WW-uitkering uitbetaald aan betrokkene. De Raad volgt appellant hierin niet. Het Uwv heeft terecht betrokkene in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering en deze ook uitbetaald. De arbeid die betrokkene verrichtte was namelijk niet passend. Indien de arbeid wel passend zou zijn geweest, zou bovendien voortzetting van de dienstbetrekking in redelijkheid niet van betrokkene gevergd kunnen worden.

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.W.H. Buiting, advocaat, hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Betrokkene heeft als derde-belanghebbende medegedeeld als partij aan het geding te willen deelnemen.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 20 december 2023. Namens appellant is verschenen mr. Buiting, bijgestaan door S. Helbers. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Betrokkene is per 1 oktober 2019 voor 36 uur per week in dienst getreden bij appellant [1] als [naam functie]. In de op 10 december 2019 tussen appellant en betrokkene gesloten arbeidsovereenkomst is bepaald dat deze van rechtswege eindigt op 30 september 2020 en dat werkgever en werknemer bij voldoende functioneren met elkaar in gesprek gaan over mogelijke verlenging of omzetting van de arbeidsovereenkomst.
1.2.
In het voortgangsgesprek van 6 augustus 2020 heeft betrokkene te kennen gegeven zijn arbeidsovereenkomst niet te willen verlengen. Appellant heeft dit bevestigd in de brief van 14 september 2020. De arbeidsovereenkomst is met ingang van 1 oktober 2020 geëindigd.
1.3.
Bij besluit van 16 oktober 2020 heeft het Uwv betrokkene per 1 oktober 2020 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 oktober 2020. Volgens appellant is betrokkene verwijtbaar werkloos en had hem geen WW-uitkering toegekend moeten worden, althans had die uitkering niet moeten worden uitbetaald.
1.4.
Bij besluit van 4 februari 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen de toekenning van de WW-uitkering ongegrond verklaard. Volgens het Uwv is de arbeidsovereenkomst van betrokkene op 30 september 2020 van rechtswege geëindigd en heeft appellant geen concreet en verifieerbaar aanbod gedaan om de arbeidsovereenkomst van betrokkene te verlengen. Daarom is geen sprake van een situatie waarbij betrokkene door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden en is er terecht een WW-uitkering toegekend en uitbetaald, aldus het Uwv.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de toekenning van de WW-uitkering terecht gehandhaafd en deze uitkering ook volledig uitbetaald. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat betrokkene niet verwijtbaar werkloos is geworden. Weliswaar moet worden aangenomen dat appellant de arbeidsovereenkomst met betrokkene wilde voorzetten onder dezelfde voorwaarden (waar betrokkene niet voor openstond), maar in dit geval is gebleken dat aan deze voortzetting voor betrokkene zodanige bezwaren waren verbonden dat dit redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Uit het verslag van het voortgangsgesprek van 22 juni 2020 blijkt genoegzaam dat betrokkene de noodzakelijke kennis en ervaring voor het naar behoren functioneren in de functie, die veel verantwoordelijkheid bij hem belegde, miste. Daarbij moest hij om een onderdeel van zijn functie bij te spijkeren een intensieve en langdurige cursus volgen, wat samen met de dagelijkse reistijd voor woon-werkverkeer een bovenmatige inspanning zou vergen. Onder deze omstandigheden heeft betrokkene volgens de rechtbank een verantwoordelijke afweging gemaakt door niet in te stemmen met de voortzetting van zijn dienstverband in de functie waarvoor hij onder gekwalificeerd was. Hierbij komt dat betrokkene onbetwist heeft aangeboden om in een lagere functie het dienstverband voor te zetten, waartoe hij volgens appellant niet was geëquipeerd. Omdat het Uwv pas in beroep een begrijpelijke motivering heeft gegeven voor het bestreden besluit heeft de rechtbank aanleiding gezien te bepalen dat het Uwv het door betrokkene betaalde griffierecht aan hem moet vergoeden en het Uwv veroordeeld in de door appellant in beroep gemaakte proceskosten.
Standpunten van partijen
3.1.
Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellant heeft aangevoerd dat betrokkene zelf zijn dienstverband heeft opgezegd. Appellant was bereid de arbeidsrelatie voort te zetten. Appellant was ook bereid in betrokkene te investeren en een opleiding te bekostigen. Appellant was tevreden over de leidinggevende capaciteiten van betrokkene. Het ontbrak betrokkene aan voldoende financiële kennis, waarvoor hij dus een opleiding kon volgen. Betrokkene had ook zijn dienstverband kunnen voortzetten en van daaruit een nieuwe baan kunnen zoeken. Appellant is daarom van mening dat betrokkene door eigen toedoen geen passende arbeid heeft behouden. De aangeboden opleiding is bovendien en anders dan de rechtbank aanneemt niet intensief en langdurig. Het betreft volgens appellant een opleiding van twaalf lesdagen gedurende een periode van zeven maanden. De opleidingsdagen zijn binnen kantoortijden en op vaste werkdagen. Elke opleidingsdag heeft buiten die dag zelf een studiebelasting van ongeveer vijf tot zeven uur voor het doornemen van de theorie en het maken van thuiswerkopdrachten. Een “bovenmatige inspanning” werd dus niet van betrokkene verwacht. Het volgen van deze opleiding naast het werk en de reistijd woonwerkverkeer vergt weliswaar een inspanning van betrokkene, maar dat mag volgens appellant ook van een medewerker op het niveau van betrokkene worden verwacht. Betrokkene had bovendien zelf eerder ingestemd met het volgen van de opleiding. De rechtbank kent volgens appellant ten onrechte gewicht toe aan de aspecten opleiding en
woon-werkverkeer. Ook bij een lage functie zou dit aan de orde zijn geweest. De langere reistijd was een eigen keuze en niet buitensporig. Verder bestonden er mogelijkheden voor hybride werken. Aan de voortzetting van de arbeidsrelatie waren voor betrokkene volgens appellant niet zodanige bezwaren verbonden dat dit redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. Volgens appellant heeft het Uwv dan ook onterecht een WW-uitkering toegekend en uitbetaald aan betrokkene. Ter zitting heeft appellant verduidelijkt dat het hem er niet om is begonnen dat de (uitbetaling van de) uitkering alsnog vanaf 16 oktober 2020 wordt geweigerd en dat alles wat is uitbetaald wordt teruggevorderd van betrokkene, maar dat hij uitsluitend wenst te bewerkstelligen dat het Uwv afziet van verhaal van de uitbetaalde uitkering op hem als overheidswerkgever.
3.2.
Het Uwv heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat verlenging van de arbeidsovereenkomst redelijkerwijs niet van betrokkene kon worden gevergd. Het volgen van de opleiding zou van betrokkene, naast de fulltime werkzaamheden als teamhoofd op een onderbezette afdeling, een bovenmatige inspanning vragen. Door te verzoeken om lager ingeschaalde en betaalde werkzaamheden voor het team [C.] heeft betrokkene appellant bovendien een bespreekbaar voorstel gedaan voor verlenging van het dienstverband. Bij bespreking en acceptatie van dit voorstel hadden werkloosheid en verhaal van een WW-uitkering voorkomen kunnen worden. Appellant heeft er voor gekozen om niet in te gaan op het voorstel van betrokkene en heeft zijn reële bedenkingen tegen het voorgenomen werkaanbod niet verder willen bespreken. Betrokkene kan daarom van het niet behouden van de arbeid – zo die al passend zou zijn – geen verwijt worden gemaakt. Er is volgens het Uwv dus geen sprake van verwijtbare werkloosheid.
3.3.
Betrokkene heeft in hoger beroep geen standpunt ingenomen.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit, waarbij betrokkene in aanmerking is gebracht voor een WW-uitkering, in stand heeft gelaten. De Raad doet dat aan de hand van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
De wettelijke bepalingen die voor de beoordeling van het hoger beroep belangrijk zijn, zijn te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
4.2.
Ter beoordeling ligt voor of het Uwv terecht aan betrokkene een WW-uitkering per
1 oktober 2020 heeft toegekend en op deze uitkering geen bedrag in mindering heeft gebracht in verband met verwijtbare werkloosheid.
4.3.
Niet in geschil is dat betrokkene zelf heeft verzocht de arbeidsovereenkomst voor bepaalde duur niet te verlengen. De arbeid is daarmee door eigen toedoen niet behouden. [2] Wel in geschil is of deze arbeid passend was. Appellant had na verloop van tijd ernstige kritiek op het functioneren van betrokkene. Deze kritiek zag anders dan appellant aanvoert, ook op het leidinggeven en niet alleen op het – bij aanvang van het dienstverband bij appellant bekende – ontbreken van kennis van overheidsfinanciën bij betrokkene. In het gespreksverslag van het voortgangsgesprek van 22 juni 2020 zijn kanttekeningen geplaatst bij essentiële punten, zoals leidinggeven, ontbreken van gevoel van urgentie, voeren van algemene regie, nemen van verantwoordelijkheid, niet tijdig aan de bel trekken, organiseren, plannen en kunnen reflecteren. Ook moest betrokkene wat actiever worden. Daarnaast is vermeld dat het redelijk positieve beeld van het functioneren van betrokkene in het vorige gesprek van 14 mei 2020 de afgelopen maand is omgeslagen in een negatiever beeld. Volgens de voorbereiding bij het voortgangsgesprek van 6 augustus 2020 achtte appellant in ieder geval een HBO-opleiding, ondersteuning van het management team en de concerncontroller, naast begeleiding door externe adviseurs, noodzakelijk om het functioneren van betrokkene (mogelijk) te verbeteren. Onder deze omstandigheden kan de functie [naam functie] ten tijde van de datum in geding niet als passend worden aangemerkt.
4.4.
Ook indien de arbeid wel als passend zou kunnen worden beschouwd, is in deze zaak geen sprake van verwijtbare werkloosheid, omdat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat aan voortzetting van zijn dienstbetrekking voor betrokkene zodanige bezwaren waren verbonden dat dit redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd. [3] De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank hierover en de aan dit oordeel ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad voegt daaraan toe dat ter zitting door appellant is erkend dat het aantal door betrokkene gewerkte overuren aanzienlijk was. Het ziekteverzuim op de afdeling van betrokkene was eveneens aanzienlijk, zodat niet aannemelijk is dat de omvang van de werkzaamheden van betrokkene binnen afzienbare tijd zou verminderen. Het volgen van een opleiding zou, ook als deze opleiding niet intensief zou zijn, extra tijd kosten. Daar bovenop komt 2,5 uur reistijd woon-werkverkeer per dag. Appellant stelt weliswaar dat hybride werken een mogelijkheid zou zijn, maar betrokkene schetst in zijn reactie op het bezwaarschrift een ander beeld. Onder al deze omstandigheden kon redelijkerwijs niet van betrokkene gevergd worden dat hij akkoord zou gaan met een verlenging van zijn dienstverband.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd voor zover aangevochten. Dit betekent dat de WW-uitkering terecht is toegekend en uitbetaald.
6. Omdat het hoger beroep niet slaagt krijgt appellant geen vergoeding voor zijn proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en M.L. Noort en W.A. Timmer als leden, in tegenwoordigheid van D. Schaap als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 januari 2024.
(getekend) A.I van der Kris
(getekend) D. Schaap

Bijlage

Artikel 1 onder i van de Werkloosheidswet

Overheidswerkgever:
1. het orgaan van een publiekrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van de WPA, dan wel een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel b tot en met e, van die wet, zoals die bepalingen luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, dat de overheidswerknemer rechtstreeks ten laste van dat lichaam bezoldigt of beloont;
2. een privaatrechtelijk lichaam als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel f, van de WPA of artikel 2, derde lid, van die wet, zoals die bepalingen luidden op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen, dat zowel op die dag als op dat tijdstip op grond van een van die bepalingen is aangewezen als lichaam waarvan de werknemers deelnemen in de Stichting Pensioenfonds ABP, en dat de overheidswerknemer rechtstreeks ten laste van dat lichaam bezoldigt of beloont;
3. Onze Minister van Defensie in relatie tot de in artikel 2, tweede lid, onderdeel f, van de WPA uitgezonderde personen, zoals die bepaling luidde op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in artikel 53 van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen;

Artikel 24 van de Werkloosheidswet

1. De werknemer voorkomt dat hij:
a. verwijtbaar werkloos wordt;
b. werkloos is of blijft, doordat hij:
(…);
3°. door eigen toedoen geen passende arbeid behoudt;
(…)
2. De werknemer is verwijtbaar werkloos geworden indien:
(…);
b. de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de werknemer zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem kon worden gevergd.
3. Onder passende arbeid als bedoeld in het eerste lid wordt, in de periode voordat zes maanden waarin een recht op uitkering bestaat op grond van deze wet zijn verstreken, verstaan arbeid die aansluit bij de arbeid waaruit de werknemer werkloos is geworden. Na deze periode van zes maanden is alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de werknemer is berekend, passend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd. (…) Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent het begrip passende arbeid, waarbij tevens wordt bepaald op welke wijze wordt vastgesteld of arbeid aansluit bij de arbeid waaruit de werknemer werkloos is geworden, alsmede in welke gevallen een periode waarin recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet bestaat, wordt meegeteld bij de vaststelling van de periode, bedoeld in de eerste zin.
(…)
7. Het tweede en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, onder 3°, waarbij voor de overeenkomstige toepassing van het tweede lid, onderdeel b, voor «de dienstbetrekking is beëindigd» mede wordt gelezen: de arbeid is beëindigd of niet voortgezet.
(…)

Artikel 27 van de Werkloosheidswet

1. Het Uwv brengt een bedrag blijvend op de uitkering in mindering indien de werknemer een verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, of onderdeel b, onder 3°, niet is nagekomen, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten. In dat geval brengt het Uwv de helft van het bedrag, bedoeld in de eerste zin, in mindering over ten hoogste een periode van 26 weken.
(…)

Artikel 79, eerste lid, van de Werkloosheidswet

1. Het Uwv verhaalt op de overheidswerkgever tot wie de dienstbetrekking bestond uit hoofde waarvan de overheidswerknemer de in onderdeel a bedoelde uitkering ontvangt:
a. de op grond van hoofdstuk II te betalen uitkering aan die overheidswerknemer, met uitzondering van de premie verschuldigd over een uitkering, als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen;
b. de op grond van enige wet over de uitkering, bedoeld in onderdeel a, door het Uwv verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet, die niet op deze uitkering in mindering kunnen worden gebracht, met uitzondering van de premie verschuldigd over een uitkering, als bedoeld in artikel 24, tweede lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen.

Voetnoten

1.Als gevolg van een gemeentelijke herindeling per 1 januari 2022 treedt in dit geding het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee in de plaats van het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Westvoorne. Een deel van de relevante feiten heeft zich voorgedaan voor 1 januari 2022. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over appellant wordt daarom daaronder ook begrepen het college van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Westvoorne.
2.Zie de uitspraak van de Raad van 14 november 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY3493.
3.Artikel 24, zevende lid, van de WW verklaart het tweede lid van artikel 24 van de WW van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid, onderdeel b, onder 3°, waarbij voor de overeenkomstige toepassing van het tweede lid, onderdeel b, voor «de dienstbetrekking is beëindigd» mede wordt gelezen: de arbeid is beëindigd of niet voortgezet.