ECLI:NL:CRVB:2012:BY3493
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WW-uitkering wegens niet behouden passende arbeid na einde contract
Werknemer was conciërge op basis van een tijdelijk contract dat op 1 augustus 2010 eindigde. Hij had tijdig aan werkgever kenbaar gemaakt geen verlenging te wensen vanwege een carrièreswitch. Het UWV kende hem een WW-uitkering toe, maar werkgever maakte bezwaar omdat werknemer door eigen toedoen passende arbeid niet zou hebben behouden.
De rechtbank oordeelde dat werknemer passende arbeid niet had aanvaard of verkregen, maar de Centrale Raad van Beroep stelde vast dat het hier ging om het niet behouden van passende arbeid, namelijk de voortzetting van dezelfde functie op dezelfde locatie met een contract voor onbepaalde tijd. De Raad benadrukte dat de werknemer dit aanbod mocht weigeren zonder gevolgen voor de WW-uitkering, omdat de situatie zich voordeed vóór de wetswijziging van 1 januari 2012.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van werkgever ongegrond. De werknemer heeft recht op WW-uitkering omdat geen dringende reden of verwijtbaarheid aan hem kan worden toegerekend. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van werkgever wordt ongegrond verklaard en de WW-uitkering aan werknemer blijft toegekend.