ECLI:NL:CRVB:2024:1475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering per 1 juni 2021 wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig chauffeur, meldde zich ziek met rug- en psychische klachten en ontving aanvankelijk een WGA-uitkering. Na beëindiging van deze uitkering in 2017 wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, meldde hij zich opnieuw met toegenomen klachten per 2019 en later per 1 juni 2021. Het Uwv weigerde de toekenning van een nieuwe WIA-uitkering omdat de beperkingen niet medisch waren toegenomen.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze weigering ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen aanleiding was voor een urenbeperking. Appellant betwistte dit en stelde dat er sprake was van onzorgvuldig onderzoek en een grote discrepantie tussen zijn behandelaars en het Uwv, wat een onafhankelijke deskundige rechtvaardigde.
De Raad volgde de rechtbank en het Uwv. De verzekeringsarts erkende een eerdere fout in de vergelijkingsgrondslag en stelde een nieuwe Functionele Mogelijkhedenlijst op met een lichte toename van beperkingen, maar dit leidde tot een arbeidsongeschiktheidspercentage van slechts 1,53%. Er was geen schending van het equality of arms-beginsel en geen reden voor benoeming van een deskundige. De Raad bevestigde de weigering en veroordeelde het Uwv in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het Uwv om appellant per 1 juni 2021 een WIA-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid.