Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
Inleiding
De uitspraak van de rechtbank
Het oordeel van de Raad
Conclusie en gevolgen
BESLISSING
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2023 ongegrond.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft een AOW-pensioen aangevraagd op basis van de verzekerde tijdvakken van haar overleden echtgenoot. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) wees dit verzoek af omdat de verzekerde periode van de echtgenoot korter was dan een jaar, wat onvoldoende is voor toekenning van het pensioen.
De rechtbank vernietigde het eerste besluit van de Svb en oordeelde dat aannemelijk was dat de echtgenoot in mei, juni en juli 1980 in Nederland werkte. De Svb nam daarop een nieuw besluit waarin het herzieningsverzoek alsnog werd afgewezen. Appellante stelde dat er wel nieuwe feiten waren die een langere verzekeringsperiode aannemelijk maakten, maar de Raad volgde de Svb en rechtbank dat de overige stukken onvoldoende bewijs leverden.
De Raad oordeelt dat de Svb zorgvuldig onderzoek heeft gedaan en dat het besluit van 10 september 2020 niet onmiskenbaar onjuist is. De verzekerde periode van de echtgenoot is te kort voor een AOW-pensioen, en het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard. De afwijzing van het herzieningsverzoek blijft in stand en appellante krijgt geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De afwijzing van het herzieningsverzoek voor een AOW-pensioen wordt bevestigd omdat de verzekerde periode te kort is.