ECLI:NL:CRVB:2024:1411
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inhouding AOW-pensioen wegens derdenbeslag binnen beslagvrije voet
Appellant ontvangt een AOW-pensioen waarop derdenbeslag is gelegd door een deurwaarder. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft op basis hiervan vanaf februari 2021 een bedrag van €342,35 per maand en in april 2022 een bedrag van €54,25 ingehouden op het pensioen. Appellant maakte bezwaar tegen deze inhoudingen en stelde dat het beslag onzorgvuldig en zonder zijn toestemming was gelegd, en dat de beslagvrije voet niet correct was toegepast.
De rechtbank Amsterdam verklaarde de beroepen van appellant ongegrond en oordeelde dat de Svb binnen de grenzen van het beslag was gebleven en de beslagvrije voet in acht had genomen. Appellant ging in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, die de zaken heeft samengevoegd en op 11 juli 2024 heeft behandeld.
De Raad bevestigt het oordeel van de rechtbank. De beoordeling van de rechtmatigheid van het beslag zelf behoort niet tot de taak van de bestuursrechter; deze moet zich beperken tot de vraag of de Svb binnen het beslagkader is gebleven. De Raad stelt vast dat de Svb de beslagvrije voet heeft gerespecteerd en niet onzorgvuldig heeft gehandeld. Appellant kan de geldigheid van het beslag en de hoogte van de beslagvrije voet aanvechten bij de burgerlijke rechter.
Voorts oordeelt de Raad dat het niet houden van een hoorzitting voorafgaand aan het eerste bestreden besluit gerechtvaardigd was omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. De hoger beroepen slagen niet, de inhoudingen blijven in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De inhoudingen op het AOW-pensioen vanwege derdenbeslag blijven in stand; het hoger beroep wordt verworpen.