ECLI:NL:CRVB:2023:925
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid ZW- en WIA-uitkeringen ondanks geschil over overgang van onderneming
Werknemer was werkzaam als meewerkend voorman bij appellante en meldde zich ziek op 12 mei 2013. Na faillissement van appellante werd het dienstverband beëindigd per 4 juli 2013. Het Uwv kende vanaf die datum een ZW-uitkering toe, die na een eerstejaars beoordeling werd voortgezet en per 9 mei 2015 werd beëindigd wegens het bereiken van de maximale termijn van 104 weken. Vervolgens werd een WIA-uitkering toegekend en definitief vastgesteld op basis van de inkomsten van werknemer.
Appellante maakte bezwaar tegen de toerekening van deze uitkeringen aan haar door de Belastingdienst, die uitging van een overgang van onderneming van de failliete onderneming naar appellante. De rechtbank stelde appellante aan als belanghebbende en vernietigde de bestreden besluiten wegens onvoldoende motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep betwistte appellante de overgang van onderneming en de status als belanghebbende.
De Centrale Raad oordeelde dat appellante als werkgever belanghebbende is bij de uitkeringsbesluiten vanwege de premietoerekening door de Belastingdienst. De vraag of sprake is van overgang van onderneming is niet relevant voor de rechtmatigheid van de uitkeringsbesluiten en moet worden aangevochten in procedures tegen de premiebesluiten. De medische en arbeidskundige gronden van de uitkeringsbesluiten zijn voldoende gemotiveerd en niet onjuist bevonden. De hoger beroepen worden verworpen en de aangevallen uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtmatigheid van de ZW- en WIA-uitkeringen en wijst het hoger beroep van appellante af.