ECLI:NL:CRVB:2023:906
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek
Appellant, werkzaam als signmaker voor gemiddeld 15,86 uur per week, meldde zich op 26 augustus 2018 ziek met lichamelijke klachten. In het kader van een WIA-aanvraag vond op 23 juli 2020 een telefonisch spreekuur plaats met een verzekeringsarts, waarna een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) werd opgesteld. Een arbeidsdeskundige stelde vast dat appellant niet geschikt was voor zijn laatst verrichte werk en berekende de mate van arbeidsongeschiktheid op basis van drie geselecteerde functies met de hoogste lonen.
Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde bij besluit van 22 september 2020 een WIA-uitkering toe te kennen omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard en ook de rechtbank Rotterdam wees het beroep af. De Centrale Raad van Beroep sluit zich aan bij de rechtbank en bevestigt dat het medisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd en dat er geen reden is om aan de medische beoordeling te twijfelen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij niet door een geregistreerd verzekeringsarts was onderzocht, maar dit werd weerlegd door het rapport van 12 april 2021 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die aanvullend onderzoek verrichtte. De Raad oordeelt dat appellant geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd en dat de beschikbare gegevens de juistheid van de eerdere medische en arbeidskundige beoordeling ondersteunen.
De Raad concludeert dat de geselecteerde functies medisch geschikt zijn en dat het besluit van het Uwv op een juiste arbeidskundige grondslag berust. Het hoger beroep wordt verworpen en er wordt geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en weigering WIA-uitkering bevestigd.