ECLI:NL:CRVB:2023:865
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid per 14 oktober 2020
Appellant, voormalig timmerman, ontving sinds 1997 een WAO-uitkering gebaseerd op rugklachten met een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Diverse verzoeken tot herziening van deze uitkering vanwege vermeende onjuistheden in de medische beoordeling, waaronder het niet betrekken van hart- en psychische klachten, werden door het UWV afgewezen. In 2019 werd een nieuwe beoordeling uitgevoerd waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% werd vastgesteld, maar de ingangsdatum van deze verhoging werd betwist door appellant.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat alleen de beperkingen door rugklachten relevant zijn voor de WAO-uitkering, conform artikel 7b van de WAO, en dat de hart- en psychische klachten niet meegenomen mogen worden omdat deze een andere oorzaak hebben. De Raad oordeelde dat het UWV niet buiten de grondslag van het bezwaar is getreden door de uitkering te verlagen naar 35-45% per 14 oktober 2020 en dat dit geen strijd oplevert met het verbod van reformatio in peius.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank Den Haag die het beroep van appellant ongegrond verklaarde. De medische beoordeling en de motivering van het UWV zijn voldoende onderbouwd en de ingangsdatum van de verlaging is correct vastgesteld. Er is geen aanleiding voor een eerdere ingangsdatum of hogere uitkering. De proceskosten worden niet toegewezen.
Uitkomst: De WAO-uitkering van appellant wordt per 14 oktober 2020 verlaagd naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.