Uitspraak
21 1597 WIA
17 maart 2021, 20/4368 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant ontving vanaf 2016 een WIA-uitkering en toeslag, maar werd tijdens een werkplekcontrole aangetroffen terwijl hij werkzaam was bij het bedrijf van zijn zoon. Het UWV stelde vast dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij werkte, en herzag de uitkering en toeslag, waarbij ook een boete werd opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat zijn eigen verklaringen en bewijsstukken zoals een stageovereenkomst en Kamer van Koophandel-registratie bevestigden dat hij werkzaamheden verrichtte. Ook werd vastgesteld dat zijn dochter vanaf 3 juli 2019 op zijn adres stond ingeschreven, waardoor hij recht had op een lagere toeslag.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij niet werkte en dat zijn gezondheid hem verhinderde adequaat te handelen, maar deze argumenten werden verworpen. De Raad oordeelde dat de boete terecht en evenredig was opgelegd en dat geen bijzondere omstandigheden tot matiging of afzien van boete bestonden. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De boete van €40 wegens schending van de inlichtingenplicht wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.