Uitspraak
- wijst het verzoek om herziening af;
- wijst het verzoek tot vergoeding van schade af.
Centrale Raad van Beroep
Verzoeker heeft voor de vierde maal een verzoek ingediend tot herziening van de uitspraak van 2 juni 2016, waarin de Raad eerder had geoordeeld dat de periodieke betalingen van familieleden als inkomen moesten worden aangemerkt en de bijstand dienovereenkomstig was herzien.
De Raad overweegt dat het herzieningsverzoek niet voldoet aan de wettelijke eisen omdat de aangevoerde feiten en omstandigheden niet vóór de oorspronkelijke uitspraak hebben plaatsgevonden, noch onbekend waren voor verzoeker, en dus niet tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden.
Daarnaast wijst de Raad het verzoek om schadevergoeding af omdat dit niet verenigbaar is met het bijzondere rechtsmiddel van herziening volgens artikel 8:119, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad bevestigt hiermee de eerdere afwijzingen van drie eerdere herzieningsverzoeken en verklaart geen aanleiding voor veroordeling in proceskosten.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek en het verzoek tot schadevergoeding worden afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten die tot een andere uitspraak zouden leiden.