Appellant, voormalig loodsmedewerker en heftruckchauffeur, verzocht het UWV om terug te komen op eerdere besluiten waarin zijn arbeidsongeschiktheid werd beoordeeld en uitkeringen werden geweigerd of beëindigd. Hij stelde dat de in 2018 bij hem vastgestelde darmkanker en de daaruit voortvloeiende klachten reeds ten tijde van de eerdere besluiten aanwezig waren, wat volgens hem een nieuw feit of veranderde omstandigheid vormde.
Het UWV wees het verzoek af omdat er geen sprake was van nieuwe medische feiten of veranderde omstandigheden. De rechtbank bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het UWV zorgvuldig had gehandeld en het dossier op juiste wijze had beoordeeld zonder noodzaak tot nader medisch onderzoek.
In hoger beroep stelde appellant dat het besluit onzorgvuldig was genomen en onvoldoende gemotiveerd, mede omdat het UWV het primaire besluit vlak voor het verstrijken van de beslistermijn nam. De Raad volgde echter de rechtbank en oordeelde dat het enkele feit dat bij bevolkingsonderzoek bloed werd aangetroffen en mogelijk darmkanker werd vastgesteld, niet als nieuw feit kan gelden. De klachten waren niet aannemelijk aanwezig ten tijde van de eerdere besluiten en waren reeds betrokken bij de eerdere beoordeling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.