ECLI:NL:CRVB:2023:363
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Verrekening van terugkerende ouderlijke giften als inkomsten bij bijstandontvanger
De zaak betreft de verrekening van bijschrijvingen op de bankrekening van appellant, afkomstig van zijn ouders, met zijn bijstand over de periode juli tot en met september 2019. Het dagelijks bestuur had deze bedragen als inkomsten aangemerkt en verrekend met de bijstand. Appellant voerde aan dat het om leningen ging die hij gebruikte voor activiteiten met zijn dochter en openbaar vervoer, en dat deze niet als inkomsten mochten worden beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en handhaafde het besluit. In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overweegt dat stortingen van derden op de rekening van een bijstandontvanger in beginsel als middelen worden beschouwd, en dat terugkerende betalingen die vrij besteedbaar zijn, als inkomsten gelden. Leningen zijn niet uitgezonderd van het middelenbegrip, ook niet als zij terugbetaald worden.
De Raad stelt vast dat appellant vrij kon beschikken over de bedragen en dat de beleidsregels over vrijlating van giften pas na de betreffende periode zijn ingevoerd, zodat deze niet van toepassing zijn. De verrekening blijft daarom in stand en appellant krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.
Uitkomst: De verrekening van de terugkerende bedragen van ouders als inkomsten met de bijstand blijft in stand.