Betrokkene 1 en 2 verzochten om hun dienstjaren als douaneambtenaar mee te laten tellen bij de berekening van hun politiedienstjaren voor deelname aan de tijdelijke Regeling Vervroegde Uittreding sector Politie (RVU). De korpschef wees deze verzoeken af omdat deze jaren niet als politiedienstjaren gelden volgens het Besluit bezoldiging politie (Bbp).
De rechtbank vernietigde deze besluiten en gaf de korpschef opdracht nieuwe beslissingen te nemen, waarbij de douanejaren mogelijk meegeteld moesten worden. De korpschef ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de douanejaren als jaren voor de uitvoering van de politietaak konden worden meegeteld. De Politiewet maakt onderscheid tussen politieambtenaren en buitengewoon opsporingsambtenaren zoals de douaneambtenaar. De jaren als douaneambtenaar tellen wel mee als politiedienstjaren, maar niet als jaren waarin men is aangesteld voor de uitvoering van de politietaak.
Daarom voldoen betrokkene 1 en 2 niet aan de 25 jaren-eis van artikel 29c, derde lid, onder a van het Bbp. De Raad vernietigt de eerdere uitspraken van de rechtbank, verklaart de beroepen ongegrond en vernietigt ook de nadere besluiten. De eerder toegekende RVU-uitkeringen blijven echter in stand en worden niet teruggevorderd.