ECLI:NL:CRVB:2023:315
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-aangegeven inkomsten van moeder
Appellant ontving sinds februari 2017 bijstand en kreeg een woonkostentoeslag toegekend. Na een heronderzoek bleek dat zijn moeder maandelijks aanzienlijke bedragen overmaakte naar zijn bankrekening. Het college trok de bijstand in en vorderde deze terug, omdat deze bedragen als inkomsten werden aangemerkt en appellant niet aannemelijk maakte dat het leningen waren.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen de intrekking ongegrond en beperkte de terugvordering. In hoger beroep voerde appellant aan dat het om leningen ging, dat het college had moeten afstemmen op zijn situatie en dat het vertrouwensbeginsel was geschonden. De Raad verwierp deze gronden, stellende dat geldleningen niet zijn uitgezonderd van het middelenbegrip en dat de overmakingen vrijelijk door appellant konden worden besteed.
Ook de aanvraag om bijstand werd terecht afgewezen omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat de ontvangen bedragen leningen waren. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat appellant over voldoende middelen beschikte om in zijn levensonderhoud te voorzien.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd omdat de overmakingen van de moeder als inkomsten gelden en appellant niet aannemelijk maakte dat het leningen waren.