Appellant, laatstelijk administratief medewerker, meldde zich in 2016 en opnieuw in 2019 ziek met psychische klachten en ontving een Ziektewet-uitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 6 juli 2020 omdat appellant volgens een arbeidsdeskundige en verzekeringsarts meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank, die het UWV op bepaalde punten opdracht gaf tot nadere motivering, met name over een alternatieve therapie.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit na nadere motivering door het UWV. Appellant stelde in hoger beroep dat het medisch onderzoek niet zorgvuldig was, dat de rapporten niet op hem van toepassing waren en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunt te onderbouwen en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die aanleiding gaven tot twijfel aan het oordeel van het UWV. De Raad bevestigde de rechtbankuitspraak en het besluit tot beëindiging van de uitkering.
De Raad concludeerde dat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen en dat de Ziektewet-uitkering terecht is beëindigd. Er is geen aanleiding voor benoeming van een onafhankelijke deskundige of voor toekenning van proceskosten.