ECLI:NL:CRVB:2021:1870
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.T.H. Zimmerman
- A. Beuker-Tilstra
- E.J. Otten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep wegens onvoldoende bewijs van beroepsziekte bij ambtenaar
Appellant, werkzaam bij het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, maakte bezwaar tegen een loonskorting vanwege langdurige arbeidsongeschiktheid. Hij stelde dat zijn ziekte als beroepsziekte moest worden aangemerkt, waardoor hij recht zou hebben op volledige doorbetaling van zijn bezoldiging. De rechtbank wees het beroep af en de appellant ging in hoger beroep.
De Raad toetste of de ziekte van appellant in overwegende mate haar oorzaak vond in de aard van de werkzaamheden of bijzondere omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 35 van Pro het ARAR. Appellant voerde aan dat het criterium van buitensporigheid dat de Raad hanteert onjuist is en dat de bewijslast bij de minister ligt. De Raad verwierp deze bezwaren en bevestigde het buitensporigheidsvereiste, waarbij rekening wordt gehouden met objectieve factoren en niet met individuele gevoeligheid.
Hoewel appellant diverse omstandigheden en rapporten aanvoerde die wijzen op hoge werkdruk en ongunstige werkomstandigheden, vond de Raad deze niet zodanig buitensporig dat zij als beroepsziekte konden worden aangemerkt. De melding van de bedrijfsarts als vermoedelijke beroepsziekte werd niet doorslaggevend geacht. De Raad concludeerde dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zijn ziekte een beroepsziekte is en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.