ECLI:NL:CRVB:2023:25
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens onduidelijke kasstortingen
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en werkten daarnaast op basis van een nulurencontract. Het college vermoedde dat appellant meer uren werkte dan opgegeven en startte een onderzoek. Hierbij werden kasstortingen op de bankrekeningen van appellanten geconstateerd die niet waren gemeld. Het college herzag daarop de bijstand en vorderde een bedrag van €9.137,48 terug.
Appellanten voerden aan dat de kasstortingen eigen geld betroffen, onderbouwd met contante opnames en een belastingteruggave uit België. De Raad oordeelde dat appellanten niet aannemelijk hadden gemaakt dat de kasstortingen uit eigen geld afkomstig waren, mede omdat geen rechtstreeks verband in tijd en omvang tussen opnames en stortingen was vastgesteld.
De Raad benadrukte dat bij kasstortingen de herkomst in beginsel onduidelijk is en dat het aan de betrokkene is om aannemelijk te maken dat het eigen geld betreft. Omdat appellanten hierin niet slaagden, was het college terecht uitgegaan van inkomen als bedoeld in artikel 32 PW Pro. De motivering van het college was deugdelijk en het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens onduidelijke kasstortingen.